De historie van de panden van café Le Journal aan de Neude (4)
Gepubliceerd: maandag 6 april 2026 06:07
Onlangs is men begonnen aan de uitgebreide verbouwing van een rijtje panden wat zich aan de zuidzijde van de Neude bevindt en waar inmiddels alweer zo’n 33 jaar de horecagelegenheid café Le Journal gevestigd is. Maar wat is het verhaal achter die panden en wie waren de mensen die er gewoond hebben?
Door Vincent Dirksen
We keren terug naar het begin van de 19e eeuw en gaan verder met het pand Neude wijk G, no. 113, het latere nummer 34. Rond 1800 was dit pand in het bezit van de heer Johannes de With, koopman in graen. Per februari 1808 vinden we een verkoopakte, waarin het huis wordt omschreven als “zekere huisinge erve en grond, voor een gedeelte tot een pakhuis geappropieerd, staande en gelegen aan de zuidzijde op de Neude”. Het wordt dan door genoemde Johannes de With verkocht aan Hendrikus Martinus van de Posthoorn.
De laatstgenoemde was een zoon uit een bekende Amersfoortse bakkersfamilie, die in 1802 na zijn huwelijk in Utrecht terecht was gekomen en die zich als koekbakker had gevestigd aan de Oudegracht vlakbij de Rijksmunt. De familie Van de Posthoorn was een niet onbemiddelde familie en we vinden Hendrikus dan ook vaker in aktes waarin onroerend goed werd ge- of verkocht, ge- of verhuurd of geërfd. Hendrikus bleef dan ook gewoon bij zijn bakkerij op de Oudegracht wonen en verhuurde het pand op de Neude aan de koopman Johan Frans Carel Behrens. Het huurcontract was maar voor twee jaar en is waarschijnlijk niet verlengd, want in de bevolkingsregistratie per 1813 vinden we de arbeider Cornelis van Maanen met zijn gezin op dit adres.
Ergens in de jaren daarna moet het pand verkocht zijn aan Johannes Leenerts. Het zoeken naar deze persoon wordt nogal bemoeilijkt, doordat zijn naam op veel verschillende manieren geschreven wordt. We zien bijvoorbeeld Leenderts(z), Leener(t)s, Leenarts en Leenaerts voorbij komen, waarbij telkens dezelfde persoon wordt bedoeld. Duidelijk is in ieder geval dat hij al enige jaren op de Neude ronddoolt. Zo is hij even eigenaar van het pand wat wij nu kennen als het Luifeltje, maar enige jaren later vinden we hem op de hoek van Kintgenshaven als herbergier.
Bij de volkstelling van 1824 wordt hij dan uiteindelijk geregistreerd als bewoner van Neude Wijk G, no.113 met als beroep koopman in granen. Hij woont er dan met zijn vrouw Anna Maria van den Hoeve, hun dochter Albertha en een huishoudster. In 1827 komt Johannes te overlijden, maar de zaken worden voortgezet door zijn weduwe. Zij wordt ook geregistreerd als eigenaresse van het pand in de kadastrale gegevens van 1832.
Zij moet dan in de jaren daarna de zaak overgedragen hebben aan Hendrik Jacobus de Visser, want deze naam vinden we in de gegevens van de volkstelling in 1840. Hendrik Jacobus de Visser, koopman van beroep, woont er dan met zijn vrouw Dirkje Johanna de Rooij en hun vier kinderen. Zij verhuren dan ook een deel van het huis aan de weduwe Altius (Aleida Kiers) met haar dochter Margaretha en tevens hebben zij nog een huishoudster Hendrika van Fulpen.
Als in 1848 Hendrik de Visser komt te overlijden, blijft ook zijn weduwe de zaak nog voortzetten. Zij wordt hierbij geassisteerd door haar oudste zoon Cornelis de Visser. In 1850 vind er een openbare verkoop van huisraad plaats vanuit het pand G113. Waarschijnlijk is dat het huisraad van de kamerhuurster, de weduwe Altius en haar dochter. Zij komen namelijk niet meer voor op het eerste blad van het bevolkingsregister van 1850 tot 1860. Wel komt de moeder van weduwe de Visser en een oudere dame uit Middelburg dan nog in het pand wonen.
In januari 1856 komt het pand in de verkoop. Het wordt dan omschreven als “een hecht, sterk en goed doortimmerd huis, met erf en grond, voorzien van een ruim voorhuis, zeven beneden- en bovenkamers, allen behangen en onderscheidene met stookplaatsen, keuken, kelder, zolder enz.” Ook wordt er een pakhuis achter dit huis als apart perceel verkocht. De koper van het huis is de heer A. Rister, die er 5000 gulden voor betaalde. Het pakhuis werd eigendom van J.C. de Rooij voor 3000 gulden.
Het woonhuis wordt dan weer even verhuurd. Eerst aan de weduwe Du Bois (Jacoba le Zwijn) die er met haar dochter, twee zoons en haar schoonmoeder komt wonen. Zij worden opgevolgd door de timmerman Pieter van Dranen met zijn vrouw, twee kinderen en schoonmoeder. Als je ziet dat in zo’n pand een timmerman komt wonen, dan is er meestal sprake van een verbouwing of enige onderhoudswerkzaamheden en het is dan ook niet vreemd dat het pand in januari 1859 opnieuw in de verkoop kwam.

Dat was het moment waarop de eigenlijke hoofpersoon van dit verhaal, voor wat betreft dit pand, in beeld kwam. De koper van het pand in januari 1859 was namelijk de heer Leendert Hoeijenbos, die het pand voor 4.500 gulden kocht en daarbij ook nog een erachter gelegen pakhuis voor 2.700 gulden verwierf. De oplettende lezer heeft de naam Hoeijenbos al eerder voorbij zien komen bij de beschrijving van de overige twee panden, die dus enige tijd later ook in handen van Leendert en zijn nazaten zouden komen. Overigens hebben we hier ook weer te maken met meer mogelijke schrijfwijzen van deze naam. In de loop van de tijd is dit uitgekomen op Hoejenbos, dus deze naam zal ik verder in mijn verhaal hanteren.
Morgen, deel 5 en slot