Onlangs is men begonnen aan de uitgebreide verbouwing van een rijtje panden wat zich aan de zuidzijde van de Neude bevindt en waar inmiddels alweer zo’n 33 jaar de horecagelegenheid café Le Journal gevestigd is. Maar wat is het verhaal achter die panden en wie waren de mensen die er gewoond hebben?
  

Door Vincent Dirksen

Vandaag gaan we terug naar de bovenwoning. Daar waren in 1885 de dochters van de familie Holst-Pellekaan inmiddels allemaal uitgevlogen, dus vonden Cornelis en Sophia het tijd om naar een wat kleiner optrekje te verhuizen. Zij vertrokken naar een bovenwoning in de Lange Elisabethstraat en in hun plaats kwam de heer Theodoor Bier met zijn vrouw Cornelia Ottelina Pelle en hun drie dochters aan de Neude te wonen. Theodoor Bier was chef de bureau bij het Utrechtsch Dagblad. De familie Bier vond nog ruimte om kamers te verhuren aan maar liefst drie inspecteurs bij de politie. Dat waren de heren Sebastiaan Wesseling, Jan Jacob van Leeuwen en Bartholomeus Verbrugge.

Alweer in mei 1888 vertrok dit hele gezelschap en kwam er een nieuwe huurder, namelijk de voormalige winkelierster in garen en band, mej. Johanna Oudegeest, die toen juist haar winkel aan de Oudegracht bij de Jansbrug had overgedaan aan haar voormalige winkelbediende Margaretha Hendriksen. Mej. Oudegeest was inmiddels 60 jaar en altijd vrijgezel gebleven en kwam in de bovenwoning aan de Neude te wonen met haar 15-jarige nichtje Christina Massee en een dienstbode, Petronella van Bentum.

Iets later, in juli 1890 vond ook weer een wisseling plaats in de benedenwoning. De graanhandelaar Van Lieshout werd daar opgevolgd door Jacobus Philippus Vermeulen, die er met zijn vrouw Charlotta Tessmann en hun zoon Gerrit ging wonen. Ook zijn schoonmoeder kwam bij hen inwonen. Jacobus was kunstdraaier van beroep. Zij bleven in de bovenwoning tot maart 1892 en maakten dus zo de nieuwe adressering van wijk G, nr.110 naar Neude 32 mee.

Na hun vertrek werd de benedenwoning in mei 1892 betrokken door de graankoopman Willem Hoeijenbos, samen met zijn zuster Jansje. Deze Willem Hoeijenbos was een zoon van Leendert Hoeijenbos die het pand in 1878 had verworven. Deze Leendert komt nog uitgebreid aan bod bij de beschrijving van het pand Neude 34. We blijven nu even bij nr. 32. In februari 1893 trad Willem in het huwelijk met Sophia Frederica Meijer en in de jaren daarna werden 4 dochters geboren.

Ondertussen waren in de bovenwoning het nichtje en de dienstbode inmiddels in september 1892 vervangen door een gezelschapsdame, Johanna Sluijmers, die bij de oude mevrouw Oudegeest zou blijven wonen totdat die overleed in juli 1895. Kort daarna, in februari 1896 kwam de paardenkoopman Hartog Carel Zwarts als nieuwe bewoner in de bovenwoning Neude 32bis terecht. Op dat moment was hij met zijn vrouw Helena de Leeuw een zoon en een dochter. Later zouden daar nog meer kinderen bij komen. Ook werd weer een deel van de bovenwoning onderverhuurd. Eerst aan de luitenant ter zee Gesuinus ’t Hooft met zijn vrouw Lucia Wartena, daarna aan de inspecteur van politie Menno de Jager Meesenbroek.

Weer terug naar de benedenwoning zien we dat Willem Hoeijenbos eind november 1900 besluit om wat meer ‘op stand’ te gaan wonen en hij verhuist dan met zijn gezin naar de Wittevrouwensingel. In februari 1901 meldt zich dan de horlogemaker Johannes van Aller uit Culemborg die dan nog vrijgezel is. Hij laat in groot formaat de letters HORLOGER op de gevel schilderen en begint er zijn bedrijfje. Alweer in juli 1904 verhuist hij naar de Vinkenburgstraat en dan komt sigarenmaker Hendrik Jan van Dilgt met zijn vrouw Louisa van Geelkerken ervoor in de plaats. Zij beginnen er een sigarenwinkel. Precies vier jaar later vertrekken zij weer en dan vindt er een soort flitsbewoning plaats. Drie maanden lang wordt het de woning van timmerman Jacobus Weegenhuise, die er met zijn vrouw Johanna van Overvest en hun drie zonen komt wonen. En diezelfde drie maanden stonden ook de wagenlichter Willem Blijerveld en de smid Gerhard Groot Obbink op dat adres geregistreerd. Ook wordt de winkel dan tijdelijk in gebruik genomen door de Fa. A.A. Stramrood, die in rijwielen handelde.

Vanaf 17 oktober 1908 wordt de benedenwoning voor langere tijd bewoond door Johannes Schimmel met zijn vrouw Pietje Oswald en hun twee zoons en dochter. Johannes is bakker van beroep, maar dat beroep voert hij uit in de kazerne als garnizoensbakker. De winkelruimte op de begane grond wordt gebruikt als sigarenwinkel, waar waarschijnlijk meestal zijn vrouw Pietje achter de toonbank zal staan. Daarnaast fungeert het adres ook als bestelhuis voor de bodedienst van de firma D.Th. Klabbers & Zn., die een dienst uitvoeren met als eindpunt de W.A. Hoeve te Den Dolder. Het gezin Schimmel blijft op de Neude tot oktober 1917.

Ondertussen vinden er in de bovenwoning ook weer de nodige wisselingen plaats. Het was sowieso een duiventil als het op dienstbodes aankwam. De paardenkoopman Zwarts en zijn gezin hebben er twaalf zien komen en gaan tot hun vertrek in november 1905, dus in ruim 9 jaar. Verder werd er veel onderverhuurd aan personen van allerlei pluimage. Na het vertrek van de familie Zwarts werd het helemaal een komen en gaan van korte termijn bewoners. Vooral studenten, maar ook beambten, een varensgezel, een winkelhulp, boekhouders en dergelijke.

De Neude ca 1903. Foto: HUA

Pas weer in maart 1910 komt er een wat langduriger bewoner in de vorm van de kapper Jan Kossen met zijn vrouw Amalia Schutze en hun dochter Jacoba. Zij zouden in het bovenhuis blijven tot september 1921 en zoals ik uit het adresboek opmaak, voerde hij zijn beroep ook uit op die locatie. Nu zijn we aangeland in de jaren ’20 en stop ik even met het pand Neude 32-32bis om een pand op te schuiven naar wat vóór 1890 het pand wijk G, no. 112 was.

Dit pand, waarin aan de rechterzijde nog steeds een onderdoorgang zat naar het pand achter G, no. 110, was volgens de kadastrale gegevens van 1832 in die tijd in het bezit van Johanna Maria van Gorkum en consorten. Tijdens de volkstelling in 1824 werd de winkelier Kelleneer daar geregistreerd. Johanna van Gorkum (schrijfwijze ook wel Gorcum of Gorcom) was al in 1798 gehuwd met Johannes van Lieshout en ergens in de jaren daarna waren zij aan de Neude terechtgekomen. Helaas stierf Johannes al in oktober 1801, vlak voor de geboorte van hun dochter in november van dat jaar. In notariele akten kunnen we lezen dat Johanna van Gorkum haar nalatenschap liet verdelen als een gezamenlijk bezit van haarzelf, haar dochter en mensen die als voogd voor haar dochter mochten optreden. Dit vormde dus waarschijnlijk die ‘consorten’ waarover in het kadaster werd gesproken.

In 1816 hertrouwde Johanna van Gorkum met Joannes Gerardus Kelleneer, die toen kleermaker van beroep was en eveneens weduwnaar. Dit verklaart dus de registratie van de winkelier Kelleneer in 1824, waarbij we er waarschijnlijk wel van uit kunnen gaan dat hij kleding verkocht. Het echtpaar Kelleneer werd een gezin, toen zoon Johannes Andreus in juli 1820 werd geboren. Toen in 1844 haar echtgenoot Johannes Kelleneer kwam te overlijden, bleef Johanna van Gorkum in de woning aan de Neude wonen. Waarschijnlijk ging zij een klein deel van de woning voor zichzelf gebruiken en ging zij de rest (winkel en woning) verhuren.

In het bevolkingsregister vinden we Johanna rond 1850 nog terug als bewoonster, maar daarnaast werd het pand bewoond door de wagenmakersknecht Hermanus Johannes van den Weldenberg met vrouw en dochter. Deze kwam echter in 1856 te overlijden en toen keerde de naam Van Lieshout weer terug in het pand. Het werd op 25 augustus 1856 namelijk betrokken door de schoenmaker Franciscus Adrianus van Lieshout met zijn vrouw Geertruida van Schaik en hun twee zoons en twee dochters. Deze Franciscus was een zoon van een broer van de eerste overleden man van Johanna van Gorcum en dus een aangetrouwde neef van haar.

In mei 1859 kwam uiteindelijk ook Johanna van Gorkum op 84-jarige leeftijd te overlijden. En vanaf toen ging Franciscus van Lieshout de voormalige woonruimte van zijn tante verhuren aan kamerbewoners. We zien vanaf dan een enorme lijst van kortstondige bewoners, vrijwel allen van het mannelijk geslacht en veelal met ambachtelijke beroepen, zoals smid of smidsknecht, zadelmaker, wagenmaker, timmerman enzovoort.

Hoofdbewoner bleef echter de schoenmaker Franciscus Adrianus van Lieshout met zijn gezin. Naast schoenmaker was hij ook het zogenoemde ‘aanzeghuis’ voor de waterkorenmolen van de heer Schober, later bekend als ‘De Korenschoof’. Dit betekende dat de graanhandelaren op de korenmarkt die toen nog op de Neude plaatsvond, bij hem terecht konden als zij een overeenkomst wilden sluiten met deze waterkorenmolen.

Dit alles bleef de situatie totdat Franciscus in oktober 1892 overleed. Zijn echtgenote was een jaar eerder overleden en de toen nog enige thuiswonende dochter verhuisde naar de Minrebroederstraat. Het pand kwam toen in eigendom bij de graanhandelaar Willem Hoeijenbos, die toen, zoals we hiervoor konden lezen, zelf woonachtig was in het buurpand nummer 32. Willem Hoeijenbos diende onmiddellijk plannen in voor de verbouwing van het pand tot pakhuis met bovenwoning. Ook op de tekeningen voor deze verbouwing bleef de doorgang naar het achterhuis van de buren in stand. De verbouwing vond plaats in 1893 en vanaf toen hadden we dus een Neude nummer 33 en nummer 33bis.

De bouwtekening uit 1893.

In 33bis werden nog steeds veel bewonerswisselingen geregistreerd, maar vanaf toen waren dat meestal geen eenlingen meer, maar werden het vooral complete gezinnen die er kwamen te wonen. Tot 1901 waren er veel wisselingen, maar toen ontstond er een vaste waarde in de vorm van de naaister/modiste Anthonia Maria Draaijer, gescheiden echtgenote van J.J. Muijzert in verband met overspel, en haar dochter. Zij bleef er langere tijd wonen en trouwde in april 1907 met Andreas Pieter Hoogensteijn, die al eerder gelijk met Anthonia in het pand woonachtig was geweest en toen geregistreerd stond als redacteur van de Utrechtsche Courant.

Ook het eerdere huwelijk van Andreas werd in maart 1907 ontbonden in verband met overspel. Het laat weinig te raden over, wat er in zich in de periode voor 1907 in het pand heeft afgespeeld. Na het huwelijk in april 1907 werd de man automatisch vanaf toen toen dus als hoofdbewoner geregistreerd. Deze Andreas Hoogesteijn begon toen op het adres Neude 33bis een uitgeverij in reclame en een adviesbureau op dit gebied.

Andreas en Anthonia verlieten de Neude 33bis rond 1913 en na hen kwam eerst de weduwe Bertha Brune (weduwe Jurritsma) er met haar zoon te wonen en niet lang daarna, ergens vanaf 1916 was er zelfs lange tijd sprake van dubbele bewoning. Toen kwam namelijk de heer Christoffel Adriaan van Beijnum met zijn echtgenote Cornelia van Kreel eveneens in de bovenwoning te wonen. Chr.A. van Beijnum was toen commies bij de Staatsspoorwegen. Zij zouden de bovenwoning in deze samenstelling in ieder geval blijven bewonen tot begin jaren ’30.

Vervolg komende maandag met deel 4 en dinsdag deel 5 (en slot).

De kinderen Hoeijenbos voor de graanhandel. Foto: HUA