Louis Engelman – ‘Sta je al zó lang ingeschreven? Dan moet je nu toch makkelijk een woning kunnen vinden? Hoe vaak ik dat niet gehoord heb, ook van corporaties en vanuit de politiek.’

Met deze verzuchting begon Margot Hovenkamp (67) vorig jaar tijdens een informatiebijeenkomst ten overstaan van Utrechtse raadsleden het verhaal over haar zoektocht naar een passende huurwoning. 

‘Ondanks mijn dertig jaar inschrijftijd’, hield zij de politici voor, ‘heb ik mijn droomhuisje niet gevonden. Nog altijd zit ik in het kleine donkere appartement zonder tuintje waarin ik indertijd kwam te wonen. En door nieuwe regelingen is er steeds minder kans op een betere woning.’

In haar heldere betoog vroeg ze de raadsleden aandacht te besteden aan haar situatie, die – zo weet ze uit ervaring – voor veel meer Utrechtse woningzoekenden geldt. Doorgaans zijn dat al wat oudere alleenstaanden die op de stedelijke woningmarkt compleet tussen de wal en het schip vallen. 
Ze verklaarde zich graag bereid mee te helpen bij het bedenken van oplossingen voor deze groep. Ideeën genoeg. Maar tot haar teleurstelling bleef het daarna doodstil.

Hovenkamp behoort tot de minder draagkrachtige inwoners van Utrecht die het zich niet kunnen veroorloven duur te huren of een eigen woning te kopen. Als alleenstaande kent ze ook niet de voordelen van een dubbel inkomen met betere kansen op een hypotheek. Een sociale huurwoning is voor haar het hoogste haalbare. Die heeft ze wel verworven, maar haar woongenot is beperkt. Haar ‘droomhuis’ - een woning met een eigen tuintje - lijkt steeds meer een blijvende fata morgana. 

Kraakscene

Weliswaar geboren in de Domstad, maar opgegroeid in Delft, verhuisde Margot na de middelbare school naar de Amsterdam, waar ze drie jaar lang actief was in de kraakscene. Vervolgens schreef ze zich in bij de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar in Utrecht, vond woonruimte aan de Lange Nieuwstraat en woonde daarna zes jaar in een plankwoning in de Blokstraat. 

Nadat ze met de studie was gestopt werd ze enthousiast vrijwilliger bij Café de Baas en Radiozebi. Achter de microfoon verzorgde ze uitzendingen vanuit het Labrehuis aan de Plompetorengracht. 
Mede geïnspireerd door dit medium meldde ze zich aan bij de School voor Journalistiek en werkte na haar afstuderen acht jaar op de regioredactie van De Gooi- en Eemlander.

In 1999 maakte Margot de overstap naar de kinderopvang, waarvoor ze ook een studie volgde. Tien jaar werkte ze in deze sector. ‘Daarna was het een beetje op’, zegt ze erover. ‘Sindsdien doe ik op verschillende plekken vrijwilligerswerk’. 

Ze vertelt dat door haar recente pensionering haar inkomen behoorlijk werd verhoogd, maar nog steeds geen vetpot is. ‘Waar ik eerst jarenlang elke maand tekort kwam denk ik nu een paar tientjes over te houden omdat ik de voordelen van toeslagen en kwijtscheldingen misloop’.

Minkade

Margot woont inmiddels al 35 jaar aan de Minkade. Op eenhoog in een blokje van elf sociale huurappartementjes van corporatie Portaal. ‘Op iets minder dan 45 vierkante meter. Formaat Tiny House, zonder eigen tuin, met veel doorstroming’. 

Ze zegt niettemin heel blij te zijn met de locatie. ‘Midden in de stad en pal tegenover het bruggetje aan de Minstroom. Ik kijk uit op het water en op de groene muur van lindebomen voor me. Dus eigenlijk woon ik hier op een fantastische plek.’

Maar er zijn ook mitsen en maren te melden. De voornaamste: de huizen zijn erg gehorig, waardoor bewoners - afhankelijk van hun plek in het complex - veel geluidsoverlast ervaren. Die wordt, aldus Hovenkamp, veelal veroorzaakt door huurders uit de categorie ‘begeleid wonen’. ‘Vaak kwetsbare mensen onder wie sommigen moeite hebben met normale woonregels en zich weinig sociaal opstellen.’

Margot. Foto: JE

Als voorbeeld noemt ze een benedenbuurman die haar tien jaar lang het leven zuur maakte, maar tot haar opluchting vorig jaar vertrok. ‘Hij had er een gewoonte van gemaakt om ’s nachts te leven, blowde veel en ontving lawaaierig bezoek. Tegen vier uur in de nacht werd het stiller. Pas als hij ging slapen kon ik dat ook.’

Woningnet

Al die jaren is Margot op zoek geweest naar een betere behuizing. ‘Ik zou nog zo graag een volgende stap maken. Naar een woning met iets meer ruimte. Want waar ik nu woon is niet meer dan anderhalve kamer. Daar zit niet eens een deur tussen. Dus slaap ik in feite in mijn woonkamer. Mijn diepste wens is een huis met eigen tuintje.’

Gezien haar financiële situatie is ze daarvoor echter afhankelijk van wat er door de corporaties op het ‘Woningnet’ beschikbaar wordt gesteld. Een aanbod dat doorgaans weinig aantrekkelijk is. ‘Bijna alles waarvoor ik in aanmerking kom is kleiner, hokkeriger, donkerder, schimmelig en in een slechtere buurt. En dan ook nog tegen een twee keer hogere huur.’

Terugkijkend vertelt ze al minstens 150 woningen te hebben bezocht. Vaak met tien gegadigden tegelijk. Daarbij trof ze heel soms een huisje aan dat ze echt leuk vond. ‘Maar dan bleek ik op nummer twintig of lager op de wachtlijst te staan. Die woningen kwamen terecht bij mensen met een urgentie of een voorrangsregeling.’

De enkele keer dat ze wél kans maakte op een andere woning heeft Margot die tot nu toe zelf geweigerd. Omdat ze informatie inwon in de omgeving. ‘Dan bleek dat ik er helemaal niet op vooruit ging. Bijvoorbeeld door geluidsoverlast van de buren, of door schimmel en vocht waardoor de vorige huurder was vertrokken. Tot aan zwaar verontreinigde grond in de tuin toe.’
Ze vindt het onaanvaardbaar dat de verhuurmakelaars de gebreken in zo’n woning meestal niet vermelden. ‘De volgende huurder zit dan met dezelfde problemen. Daar word ik heel moedeloos van. En argwanend.’

Vergeten groepje

Bij de bezichtiging van de aangeboden sociale huurwoningen viel het Margot op dat ze heel vaak dezelfde mensen tegenkomt. ‘We vormen een soort vergeten groepje dat niet gezien wordt. Ook niet door de woningcorporaties. Ieder met z’n eigen kleine wensen die maar niet beloond kunnen worden.’

Daarom wil ze blijven opkomen voor de dromen van deze niche-groep. ‘Allemaal mensen van ongeveer mijn leeftijd die ooit de hoop hadden na hun studentenkamer in een starterswoning het begin van hun wooncarrière te beleven met uitzicht op een volgende stap. Maar dat is nooit gelukt.’

Het maakt haar soms machteloos, zegt ze, en boos. ‘Het bevestigt elke keer dat die dertig jaar inschrijftijd op de wachtlijst een loos getal is. Want op het moment dat je een huis leuk vind gaat er een ander voor.’

Ze pleit daarom voor andere regelingen. In navolging van ‘Van Groot naar Beter’, waarbij ouderen hun ruime woning wisselen voor een kleinere behuizing, zou er volgens haar ook een systeem ‘Van Klein naar Beter’ kunnen worden opgetuigd. Ook is ze voorstander van een uitwisseling van sociaalwoningzoekenden met steden als Amsterdam, Groningen, Leiden of Nijmegen. Dat zou de doorstroming, denkt ze, zeer bevorderen.

In Utrecht ziet ze tevens kansen in een extra urgentiebepaling. ‘Stel dat je de inschrijfduur elke vijf jaar een extra verzwaring meegeeft waardoor je na vijftien jaar een hogere urgentie verwerft. Plus dat je voorrang krijgt op een huis met een tuintje. Zo zijn er instrumenten waarmee je de zoektocht naar een woning meer in balans kunt brengen.’

Af en toe zegt Margot er weleens aan te denken de wens van een eigen tuintje maar op te geven. ‘Ik heb wel gezocht naar een volkstuin, maar ook daarin heb ik misgegrepen. In de coronatijd was er geen niet een meer te vinden.’

Toch wil ze na zoveel jaren haar droom nog niet vaarwel zeggen. En blijft ze strijden voor die ene stap naar verbetering. ‘Ik knok voor mijn wensen. Ik voel me te jong om al in een seniorenflat tussen de rollators te gaan wonen. Daar maak ik nu wel kans op, maar dat is niet wat ik wil. Ik hou vast aan die droom van een twee- of driekamerwoning met net wat meer ruimte en een tuin.’