Door Jim Terlingen

Tien weken geleden, midden april, zie ik hem tijdens de plaatsing van zes struikelstenen op de Twijnstraat. Donald Koppel, joods, in Utrecht geboren in 1941, is een van de sprekers omdat hij verwant is aan de mensen die daar woonden. 

Donald vertelt in zijn praatje kort wat hem en zijn ouders in onze stad is overkomen. Onmiddellijk gaat bij mij het voor mij bekende dit-moet-worden-vastgelegd-seintje af. Ik benader hem in de weken erna of hij zin heeft in een interview. Een opname voor mijn podcast vindt hij wat te spannend, maar een geschreven interview dat hij van tevoren kan checken, spreekt hem wel aan. En dus ben ik op vrijdag 20 juni in Amstelveen, waar we in zijn huiskamer aan de eettafel gaan zitten. 

Ongeveer anderhalf uur later, zo tegen het eind van het gesprek, zegt Donald:

Een paar weken geleden rekende ik iets uit op de achterkant van een boekenlegger. Ik had toen de Tweede Wereldoorlog begon 18 directe familieleden. Dat zijn: mijn grootouders van beide kanten, hun kinderen en hun kleinkinderen. In totaal hebben 16 uit deze groep de oorlog overleefd. Alleen mijn vader en de zuster van mijn moeder zijn vermoord. 16 van de 18, die statistiek is bijna ongelofelijk. Ik ben wat dat betreft nauwelijks een oorlogsslachtoffer.

Een fascinerende logica. En herkenbaar voor degene die wel eens met joodse oorlogsslachtoffers heeft gesproken. Het ene oorlogsleed wordt vergeleken met ander oorlogsleed.

Dit is wat Donald me eerder vertelde: 

Ik ben geboren in oktober 1941 op Blauwkapelseweg 151. Mijn vader was slager Samuel Koppel. Mijn moeder Rozetta heette met haar meisjesnaam Creveld. Beiden zijn geboren in Utrecht.

De slagerij bevond zich op de Drieharingstraat 9 in de Utrechtse binnenstad. Geertruida Koppel, de zuster van mijn grootvader, had deze slagerij eerder met haar man. Toen hij overleed vroeg ze of het misschien iets was voor mijn vader Sam. Dát is de reden dat mijn vader slager is geworden. Wat hij anders geworden zou zijn, weet ik niet. Maar mijn vader maakte zijn handen niet vuil, hij deed liever zaken. Hij regelde de klanten - de Jaarbeurs was daar eentje van.
   

Begin 1942, Donald met zijn ouders

Toen in 1942 de joden verplicht hun fietsen moesten inleveren, deed mijn vader dat voor zijn eigen fiets, maar hij besloot om die van mijn moeder te verstoppen. Hij bedacht dat dit het best bij een niet-joods iemand kon gebeuren en hij vond de buurvrouw van nummer 147 bereid. 

Dat die fiets daar stond, is verraden door iemand uit de buurt. Mijn ouders kregen toen een oproep zich melden op kamer 14 op het Hoofdbureau van Politie op het Paardenveld. Daar zat de net opgerichte afdeling die fel achter joden aanging. Mijn moeder en mijn vader zijn op 29 juni 1942 na het sluiten van de winkel naar het politiebureau gegaan. Daar kregen ze de beschuldiging te horen. Mijn moeder kon zich vrij praten, maar mijn vader is er vastgezet.

Mijn moeder is meteen na haar vrijlating een onderduikplek gaan regelen. Mijn vader bleef tot haar grote zorg vastzitten. Hij ging uiteindelijk vanuit Utrecht naar Amsterdam, naar het oude Huis van Bewaring aldaar. Daarna volgde kamp Amersfoort, van waaruit hij is doorgeleid naar Mauthausen, waar hij is vermoord.  
  

De onderduik

Mijn moeder was de eerste van onze familie die onderdook. Dat was op 3 augustus 1942, nauwelijks vijf weken na mijn vaders arrestatie. Een Utrechtse rechercheur regelde het onderduikadres en bracht mijn moeder, zonder ster, daarnaartoe. 

Eigenlijk wilde ze liever naar een onderduikplek gaan in Zegveld, bij Woerden. Daar woonde boerenfamilie Loenen waar mijn moeder goed bekend mee was. Ze reed in de jaren dertig met haar vader Sam, een handelaar in vlees, veel langs boerderijen en met deze familie klikte het buitengewoon goed. Maar het verzet vond die plek te gevaarlijk, mijn moeder was volgens hen te bekend in Zegveld.

De onderduikplek die door het verzet wel geschikt werd geacht, stond op Hoogelanden Westzijde 17, vlakbij Ondiep. Daar had het echtpaar Ab en Wil Toom ‘Drogisterij de Vecht’. Het was een gereformeerd stel zonder kinderen.

Drogisterij 'De Vecht' op Hoogelanden WZ 17. Foto: familiearchief Koppel

Utrechts Nieuwsblad, november 1933

Kort na mijn moeder ben ikzelf, één jaar oud, naar deze onderduikplek gebracht door de jongere zuster van mijn vader. Ze droeg me in een soort naaimandje. En daarna volgden, steeds in plukjes, de anderen. 

We zaten daar in totaal met zeven joodse onderduikers, zes volwassenen en een baby. Mijn moeder, ik, mijn grootouders van vaders kant, de zus van mijn vader met haar verloofde en de zuster van mijn grootvader van vaders kant.

Die rechercheur bracht ons daar voedselbonnen van het verzet. En die familie uit Zegveld liet tijdens de hongerwinter regelmatig de tweeling Ans en Puck langsrijden op de (bekende) fiets met houten banden om ons voedsel te geven.

Het huis op de Hoogelanden bestaat nog steeds. Het heeft drie etages van ongeveer 40 vierkante meter. Beneden was de drogisterij, op de tussenverdieping woonde de familie Toom en op de zolderverdieping zaten wij met zijn zevenen. Dat was nog luxe als je het vergelijkt met andere onderduiksituaties.

Hogelanden WZ 17 in 2015 (foto: Google Maps)

In het allereerste begin was ik een baby, maar gedurende de onderduik kwam ik in de peuterleeftijd. Dat leverde wel wat problemen op: ik had heel weinig lichaamsbeweging en ik moest de hele dag stil zijn. Want de drogisterij was gewoon open en daar kwam natuurlijk allerlei volk binnen. 

Ik werd letterlijk zoet gehouden met muisjes van De Ruyter. Maar aan de andere kant werd ik ook hard aangepakt. We hebben er meer dan 2,5 jaar gezeten, maar ik heb maar een paar herinneringen aan die tijd. Eentje is dat mijn grootmoeder zich verkleedde als ‘dokter Pet’. Dat was een enge man met een snor en een sjaal om zijn hoofd. Die sprak me dan streng toe. Als hij langs was geweest, gedroeg ik me een periode lang helemaal zoals het hoorde.

Wij waren niet verborgen op geheime plekken, want die waren er niet. ‘s Avonds ging de drogisterij om 6 uur dicht. Ik denk dat we toen door het hele huis mochten bewegen. Je moest dan alleen niet in de buurt van een raam komen.

Veel mensen wisten dat er onderduikers in huis waren, maar we zijn niet verraden. Op een zondagmorgen bonste wel een keer de Grüne Polizei op de voordeur en schreeuwde "Aufmachen". Ab Toom was brutaal, hij rammelde lang met een sleutelbos, zodat we - zo goed en kwaad als dat kon - uit het zicht waren. Wij waren vogeltjes voor de kat. Maar hij wist ze aan de deur af te poeieren. De 'heren' vertrokken zonder binnen te komen.

    

De bevrijding

Het moment zelf kan ik me niet herinneren. Er is wel een foto van kort na de bevrijding. Daarop staan alle onderduikers samen met de onderduikgevers, familie Toom, plus nog één iemand. Dat is de broer van mijn vader, oom Dick. Hij heeft elders ondergedoken gezeten. Het jongetje op de foto ben ik. Ik ben de enige die bewoog.
 

Mei 1945, Hoogelanden Westzijde 17 in Ondiep. Staand vooraan: de jonge Donald (toen 'Donnie'). Zittend van links naar rechts: de zuster van zijn grootvader van vaders kant (Geertruida Koppel) en zijn grootouders van vaders kant (Reintje en Izak Koppel). Staand van links naar rechts: zijn oom Dick Koppel, zijn moeder Rozetta Koppel-Creveld, Ab en Wil Toom, Emanuël Klein (verloofde van zijn tante Annie) en zijn tante Annie Koppel (zus van zijn vader).

Ons huis op de Blauwkapelseweg kregen we niet terug en dus zijn we naar die bevriende mensen gegaan in Zegveld. We hebben daar de hele zomer gezeten en daar beginnen eigenlijk mijn herinneringen pas echt. Daar was ook de eerste Koninginnedag die ik me kan herinneren, 31 augustus 1945, op de verjaardag van Wilhelmina.

We waren in Zegveld samen met de ouders van mijn moeder. Die van mijn vader konden wel meteen terug naar hun huis op Maliesingel 63. Na de zomer zijn we met mijn moeders ouders meegegaan naar hun woning in Tuindorp. 

Mijn moeder is op 17 januari 1946 hertrouwd en toen zijn we naar Amsterdam verhuisd. Mijn stiefvader, ook joods, was door de oorlog heel erg beschadigd. Bijna zijn hele familie is vergast. Hijzelf overleefde na een avontuurlijke (en gevaarlijke) vlucht naar Zwitserland.
   

Beschuldigingen

Mijn moeder heeft na de oorlog een verklaring afgelegd tegen de persoon die volgens haar heeft verraden dat ze haar fiets niet heeft ingeleverd. Het was een toen 17-jarige vrouw uit een NSB-gezin. Het onderzoek naar haar is stopgezet omdat er volgens de politieke recherche geen bewijs was.

De man die ons namens het verzet verzorgde, was een rechercheur bij de politie. Bij ons thuis viel zijn naam heel vaak na de oorlog, altijd in zeer negatieve zin. Hij was een ongelofelijke klootzak, maar hij heeft wel ons leven gered. Deze man leidde een dubbelleven. Voor zover ik weet heeft hij nooit iemand verraden, maar hij zorgde ervoor dat hij niet onbemiddeld door de oorlog kwam. Hij haalde overal zijn voordeeltjes ten koste van onderduikers. Na de oorlog heeft mijn moeder een klacht ingediend tegen hem, waarschijnlijk ondersteund door Ab en Wil Toom. Daarop is hij gedegradeerd. Hij moest vanaf toen alleen uniformdiensten draaien. Hij werd een gewone diender.  
  

Problemen

In zekere zin ben ik door de onderduik ‘asociaal’ opgegroeid. Ik had de eerste jaren geen kinderen om me heen. Nog nooit een kind gezien, nog nooit een kind aangeraakt. Na de bevrijding liep ik met mijn moeder op straat toen heb ik bewust een kind betast. Ik had wel een teddybeer gezien, maar nog nooit een kind. 

Na de oorlog werd ik extreem beschermd opgevoed. Toen ik voor het eerst naar de lagere school ging, bracht mijn moeder mij en ze zei tegen de leraar ‘dit is mijn goudklompje’. Hij moest vooral heel erg voorzichtig omspringen met mij. Dat is allemaal heel logisch. Ze had met mij oorlog overleefd. 

Mede daardoor heb ik in de omgang met kinderen de eerste jaren wel problemen gehad. Ik ben naar mijn herinnering ook wel gepest. Maar toen ik enkele jaren geleden een reünie had van de Openlucht School, bleek niemand zich dat te herinneren.

Ik heb in mijn jeugd wel therapie nodig gehad. Therapie was toen nog niet zo normaal als dat het nu is. Ik was een kwetsbaar persoon. De directe aanleiding was het overlijden van mijn halfbroer. Hij was acht jaar toen hij in zijn slaap overleed. Ik durfde daarna niet meer slapen. 

Mijn ouders kenden de joodse therapeut Gerard van der Heide en daar ben ik toen naartoe gegaan. Hij had zelf de kampen overleefd en richtte zich na de oorlog op het helpen van kinderen, ook kinderen van NSB-ouders. Hij heeft een beslissende rol gespeeld in mijn naoorlogse ontwikkeling.

 

Yad Vashem

In 1996 kregen mijn onderduikgevers postuum de Israëlische Yad Vashem-onderscheiding. Die heb ik voor ze aangevraagd. Ter voorbereiding daarop heb ik mijn moeder geïnterviewd, want tot dat moment wist ik heel weinig van wat er gebeurd was. Ik was natuurlijk nog heel klein. 

Eerst had mijn moeder helemaal niet zo’n zin om te praten, maar opeens kwam ze los. Toen kwam er onstuitbaar veel informatie. Ik heb het dezelfde avond uitgewerkt op de computer. Toen wist ik ineens vrijwel alles. 

Ik heb toen ook nog een gesprek gevoerd met een buurvrouw van ons onderduikadres, mevrouw Duiverman. Zij stond in de oorlog aan de goede kant. Ze heeft ook een verklaring afgelegd die mijn Yad Vashem-aanvraag ondersteunde. De uitreiking is gebeurd in het Amsterdams lyceum, mijn oude middelbare school, in het bijzijn van neven en nichten van Ab en Wil Toom.

Ab en Wil Toom (circa 1975-1976)

De Tooms hebben in de oorlog vanuit hun gereformeerde achtergrond gehandeld. Ze stonden ook op het standpunt dat een kind bij zijn ouders moest blijven. Dat is mijn onbeschrijfelijke geluk geweest. Ik ben niet bij een boer in Friesland terecht gekomen zonder mijn ouders. Dat heeft bij veel joodse kinderen tot verschrikkelijke dingen geleid. Sommigen die gereformeerd zijn opgevoed, wilden hun ouders zelfs niet meer kennen. Dat had ik niet. Een geluk bij een ongeluk.

Onze familie heeft altijd goed contact gehouden met Ab en Wil Toom. Ik was nog bij Ab op ziekenbezoek enkele uren voor zijn dood. Dat zegt genoeg, denk ik.
  

Lessen geven

Door wat ik heb meegemaakt, sta anders in het leven dan anderen. Elk boek dat ik lees gaat over de oorlog. Harry Mulisch zei ooit over zichzelf ‘ik ben de Tweede Wereldoorlog’, maar hij is niet de enige voor wie dat geldt.

Als gastspreker van herinneringscentrum Westerbork bezoek ik scholen, waar ik de oorlogservaringen van mijn familie deel. In de week dat er struikelsteentjes werden gelegd op de Twijnstraat, in april van dit jaar, deed ik dat voor het eerst ook in Utrecht. Dat was op de Agatha Snellenschool, een basisschool vlakbij de Twijnstraat, en op Academie Tien in Leidsche Rijn, een middelbare school.

Ik heb dertig jaar ervaring als economiedocent, maar ik had nog nooit op een lagere school lesgegeven. Ik probeerde aan te sluiten bij de leefwereld van groep 6-, 7- en 8-leerlingen. Ik vertelde onder meer over het moment dat in 1950 de Koreaanse oorlog uitbrak. Ik was toen ongeveer negen jaar. Thuis hadden we een speciale kast met allerlei conserven en dat doet natuurlijk denken aan het noodpakket wat je nu in huis moet hebben. Wij dachten ook toen dat de Rus elk moment kon komen. 

Mijn moeder en stiefvader regelden, natuurlijk vanwege hun ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, meteen een visum voor de Verenigde Staten. Gelukkig hebben ze daar geen gebruik van gemaakt. Maar andere joodse mensen sloegen toen echt op de vlucht.  Achteraf gezien viel het allemaal mee. 

In de lessen vertelde ik ook nog iets dat echt met Utrecht te maken heeft. Ik woonde in Amsterdam, maar ging in die tijd vaak logeren in Utrecht bij mijn grootouders op de Maliesingel, en ook bij een oudoom op de Herenweg. 

We gingen toen naar het Centraal Station om daar het nieuws over Korea te bekijken. Televisie was er nog niet in die tijd en bij spoor één kon je in een treinwagon die daar stond onbeperkt het journaal bekijken. De ‘spoorbios’ heette dat. Dat vonden ze fascinerend om te horen.

Ik hoop nog heel lang op scholen te mogen vertellen over mijn ervaringen.
  

Donald Koppel in april 2025 op de Twijnstraat (JT)