Door Vincent Dirksen

Onlangs is men begonnen aan de uitgebreide verbouwing van een rijtje panden dat zich aan de zuidzijde van de Neude bevindt en waar inmiddels alweer zo’n 33 jaar de horecagelegenheid café Le Journal” gevestigd is.

Een mooie bijkomstigheid van zo een uitgebreide verbouwing, waar ook een groot deel van de oorspronkelijke bouwgrond vrijkomt, is dat onze stadsarcheologen een mooi onderzoek kunnen doen naar wat zich daar onder de grond bevindt. Aan de hand van vondsten van oude muurresten, funderingen, kelders maar ook andere bodemvondsten kan men dan weer wat wijzer worden over de historie van onze oude stad Utrecht.

Muurtjes, water- en beerpunt onder waar voorheen de bar van Le Journal stond.

Uiteraard vind ik dat, als geïnteresseerde in die oude historie, heel leuk om te volgen, maar bij mij groeit dan ook altijd de interesse in die panden zelf. Ik ga me dan altijd weer afvragen wie daar woonden en wat zij uitvoerden en dan probeer ik daar vanachter mijn computer zoveel mogelijk over uit te zoeken.

Eerst maar eens wat meer over die plek in het bijzonder. We kunnen een mooie tekening vinden die Jan de Beijer in augustus 1744 gemaakt heeft. Zoals bekend waren de tekeningen van deze kunstenaar meestal behoorlijk accuraat en naar het leven getekend. Daarom kunnen we met een grote mate van zekerheid vaststellen dat op die datum de drie panden, waarover we het hier hebben, reeds onder een lang dak verenigd waren. Het dak stond evenwijdig met de rooilijn en er bevonden zich toen ook al drie aparte gevels onder.

De Neude door Jan de Beijer in augustus 1744. Tekening uit collectie Het Utrechts Archief

Wat ook opvalt op de tekening van Jan de Beijer is dat er vlak achter de panden aan het plein nog een paar daken en geveltoppen bovenuit steken. Dit kwam door een ontwikkeling die stamde uit de middeleeuwen, die destijds veelal langs de Oudegracht maar ook wel op andere plaatsen werd toegepast. Het waren zogenoemde stenen kameren, grote stenen huizen die achter het voorhuis gebouwd werden en waarin de familie zich bijvoorbeeld bij calamiteiten kon terugtrekken. Ook achter een aantal panden aan de zuidzijde van de Neude stonden dus dergelijke stenen kameren. In oorsprong waren deze overigens meer verbonden met de Ganzenmarkt.

Een tekening van latere datum, door Jan Bulthuis gemaakt in 1788, lijkt er maar weinig veranderd. Ook deze Jan Bulthuis tekende 'naar het leven' en zo zien we hoe destijds de Neude werd gebruikt als plein voor de graanmarkt. Veel huizen rond het plein waren dan ook in eigendom bij graanhandelaren, die er soms zelf woonden maar ook wel alleen de opslagruimte gebruikten voor hun handel en de rest van het pand verhuurden.

Zo zien we op de tekening van Bulthuis ook een aantal uithangborden die aangaven wat voor nering er gedreven werd. Vaak waren het herbergen of koffiehuizen, maar we zien op het middelste huis van de drie die ik in dit verhaal beschrijf duidelijk een laars als uithangbord. Daaruit kunnen we dus opmaken dat zich daar een schoen- en laarzenmaker bevond.

De Neude getekend door Jan Bulthuis 1788. Tekening: coll. HUA

Achter mijn computer moet ik het doen met gegevens die digitaal beschikbaar zijn. Wat in zo’n geval een mooi uitgangspunt is, zijn de gegevens die vastgesteld zijn tijdens de eerste opmetingen van het Kadaster, die plaatsvonden van 1821 tot 1832. Hieruit is een gedetailleerde kadastrale kaart voortgekomen, tezamen met een lijst van de eigenaren van de panden en indien bekend hun beroep. Voor de beeldvorming heb ik even een detail uitgeknipt, waarop ik de betreffende panden heb omcirkeld.

Kadaster, kadastrale kaart 1832.

Op de kadastrale kaart zijn de perceelnummers uit die tijd te zien, maar ook belangrijk om te weten is dat de Fransen tijdens hun bezetting niet uit de voeten konden met de toen gebezigde wijk- en huisnamen en daarom een systeem bedachten van wijkletters met huisnummers. Dit systeem bestond dus ook al tijdens de kadastrale opmetingen en door een en ander met elkaar te vergelijken, weten we dat de betreffende panden destijds gelegen waren in wijk G en vanaf de Neude gezien van rechts naar links de nummers 110 t/m 113 hadden.

Een oplettend lezer zal zien dat dit dus 4 panden waren in plaats van de beschreven 3 stuks. Dat kwam omdat er nog een van de eerder genoemde stenen kamers uit de middeleeuwen overgebleven was, die zich bevond achter het pand G nr.110 en daarom geregistreerd werd als G nr. 111. Een doorgang naar dit pand bevond zich aan de rechterzijde van nr. 112. Aan de Neude grenzend lagen dus de panden met de wijkhuisnummers 110, 112 en 113. Toen de wijkhuisnummering in 1890 werd omgezet in straatnamen met nummers, was de stenen kamer achter nummer 110 feitelijk bij het voorhuis getrokken en zo werd dat geheel geregistreerd als Neude 32 en werden de wijkhuisnummers 112 en 113 omgezet naar nummers 33 en 34.

  
Morgen deel 2: de bewoners van de panden aan de Neude