Onlangs is men begonnen aan de uitgebreide verbouwing van een rijtje panden wat zich aan de zuidzijde van de Neude bevindt en waar inmiddels alweer zo’n 33 jaar de horecagelegenheid café Le Journal gevestigd is. Maar wat is het verhaal achter die panden en wie waren de mensen die er gewoond hebben?
  

Door Vincent Dirksen

We gaan in deel 2 naar het begin van de 19e eeuw. Op basis van de kadastrale registraties alsmede een volkstelling die in 1824 plaatsvond, kunnen we het een en ander vinden over de bewoners uit die tijd. Zo weten we dat het meest rechterpand in die tijd werd bewoont door Neeltje Brenkererf (ook wel Brinkererf) die toen officieel door het leven ging als Wed. Edelkoort. Zij was in 1770 gehuwd met Pieter Antonie Edelkoort en het echtpaar was kort na dit huwelijk op de Neude gaan wonen. Bij de registratie van hun eerstgeborene in 1773 wordt in ieder geval de Neude vermeld.

Toen Pieter Antonie Edelkoort al in 1785 overleed, liet hij zijn vrouw en zes 'onmondige' kinderen achter. De familie bleef aan de Neude wonen en zo werd Neeltje Brenkererf dus in 1824 nog geregistreerd als winkelierster. Wat voor winkel zij bedreef is niet bekend. Wel zien we een paar keer een advertentie van een tandmeester genaamd Charles Lehmans, waarin hij vermeldt enige tijd te verblijven ten huize van de Wed. Edelkoort aan de Neude. Destijds bezochten dit soort lieden regelmatig een stad en maakten dan gebruik van een gasthuis om te verblijven en hun praktijk uit te oefenen.

Helaas kwam in 1824, dus vlak na genoemde volkstelling, Neeltje op ruim tachtigjarige leeftijd te overlijden. Haar dochter Willemijntje zette de zaken voort aan de Neude. Dit blijkt toen zij in 1828 op 46-jarige leeftijd huwde met de 32-jarige Willem van Beem. In de huwelijksakte is Willem zonder beroep en Willemijntje koopvrouw. Dat de zaken waarschijnlijk toen al de graanhandel betroffen blijkt uit het feit dat Willem daarna bekend werd als graanhandelaar. Ook in de kadastrale registratie werd hij vastgelegd als eigenaar van de panden Neude G 110 en G 111 met als beroep korenkoper. Het huwelijk van Willem en Willemijntje hield stand tot haar overlijden in mei 1835.

Twee jaar later, in juni 1837, trouwt de dan 41-jarige Willem van Beem met de toen 42-jarige Alberdina van Dieren en zij gaan door met de graanhandel op de Neude G 110. Net als het eerste, bleef ook het tweede huwelijk van Willem kinderloos en toen hij dan ook in 1852 kwam te overlijden zette Alberdina de zaak als weduwe voort. Helaas hield zij dat nog maar drie jaar vol, want in 1855 kwam ook zij te overlijden, waarna het huis in de verkoop kwam.

Of het ook de koper van het huis was heb ik niet na kunnen gaan, maar feit is dat in 1856 de heer Marinus Theodorus van den Berkhof met zijn vrouw Neeltje Jansen en hun vier kinderen vanuit het buurhuis nr.109 verhuisden naar nr.110. De heer Berkhof was kamerbehanger van beroep en noemde zich zelfs mr. Kamerbehanger in zijn advertenties. Voorafgaand aan de festiviteiten die in 1861 plaatsvonden in verband met de verjaardag van de Koningin, de herdenking van de Slag bij Waterloo en de lustrumfeesten der Hoogeschool, adverteert Van den Berkhof dat hij vlaggendoek verkoopt in de voor die festiviteiten benodigde kleuren.

In februari 1863 verschijnt er een verkoopadvertentie in de krant, waarin het pand inclusief een plaats en een stal wordt aangeboden. In diezelfde tijd worden naast de familie van den Berkhof ook een steenhouwer en twee timmermannen als bewoners geregistreerd. In april 1864 verschijnt nog een metselaarsknecht en rond die tijd is er ook een aanvraag gedaan voor een wijziging aan de voorgevel. Echt goede bouwtekeningen zijn er niet, maar feit is dat als de Familie van den Berkhof op 10 mei 1864 vertrekt, ook de bouwlieden vertrekken. Vanaf dan lijkt er sprake van een beneden- en een bovenwoning.

Op 12 mei 1864 vestigde zich in de benedenwoning de commissionair Christoffel Heijn met zijn vrouw Maria Schalkwijk en hun 7 kinderen. En in november van datzelfde jaar keerde de graanhandel weer terug in het pand, want toen kwam in de bovenwoning het gezin van graanhandelaar Pieter Kastelein te wonen. Op het moment van vestiging hadden Pieter en zijn vrouw Anna van Raven een pasgeboren zoon en in de jaren daarna zouden nog twee zonen en een dochter geboren worden.

In de benedenwoning had Christoffel Heijn naast zijn activiteiten als commissionair ook een tapperij opgericht. Dat was overigens geen unicum aan de Neude, want veel graanhandelaren, maar ook andere handelslieden, hielden er een dergelijke bijverdienste op na. De deelnemers aan de korenmarkt lustten kennelijk wel graag een slokje tijdens of na de handel. Helaas kwam Christoffel al in december 1866 te overlijden en toen werd de zaak nog even voortgezet door zijn weduwe Maria Schalkwijk. Maar in augustus 1867 kwam Willem Horst de zaak overnemen. Deze was toen net getrouwd met Trijntje van Zijtveld.

In de bovenwoning hield Pieter Kastelein het iets langer uit, maar ook hij kwam al op vrij jonge leeftijd (bijna 36 jaar) in juli 1869 te overlijden. Zijn gezin vertrok al vrij snel daarna uit de woning, waarna de woning een soort duiventil werd waar de ene bewoner alweer snel de andere opvolgde. Van mei 1870 tot mei 1873 was het de woning van Jeanette Taarling, weduwe van Willem Julius met haar zoon en twee dochters. Van mei 1873 tot april 1876 woonde de kleermaker Andries Janus van Duuren er met zijn vrouw Dientje van Geel en hun drie dochters, waarna dus in april 1876 de weduwnaar Johannes de Rooij met zijn dochter Neeltje volgde. Deze was weer koornkoper van beroep.

Op 20 april 1878 verandert het pand Neude G 110 van eigenaar. Het wordt dan voor 7.100 guldens verkocht aan de heer L. Hoeijenbos, die toen al meerdere panden aan de Neude, maar ook elders in Utrecht bezat. Het pand blijft echter nog een poosje verhuurd worden als beneden- en bovenwoning. Zo werd de bovenwoning alweer kort na de verkoop, op 8 mei 1879, verhuurd aan de heer Cornelis van Holst Pellekaan, die er met zijn vrouw Sophia Glazener en zijn vier dochters in trok. De heer van Holst Pellekaan was toen mosterdfabrikant en had zijn mosterdfabriek, die hij Lion d’Or noemde, in die tijd in de Drieharingsteeg. Voorheen was hij succesvol geweest in de tabakshandel.

Ondertussen werd de benedenwoning nog steeds gehuurd door Willem Horst die naast zijn activiteiten als koopman ook een borreltje bleef schenken. Dat die laatste activiteit hem het beste beviel, bleek wel uit het feit dat hij in 1882 naar Driebergen vertrok om daar het etablissement ‘Het Wapen van Driebergen’ over te nemen. De nieuwe huurder in de benedenwoning werd toen Johannes Cornelis van Lieshout, die schoenmaker van beroep was. Het was de zoon van Franciscus Adrianus van Lieshout, die toen al vele jaren in het middelste pand een schoenmakerij dreef. Daarover later dus meer.

De schoenmaker Johannes Cornelis van Lieshout ging er wonen met zijn vrouw Henrica van Roosmalen en hun zoon en twee dochters. Later zouden er nog twee zoons en twee dochters geboren worden. Ook Johannes van Liefhout kreeg een vergunning om naast zijn schoenlapperij sterke drank in het klein te verkopen en hij kon dus een glaasje tappen als zijn klanten op hun schoenen zaten te wachten. Een paar jaar later stond Johannes niet meer geregistreerd als schoenmaker, maar was hij graanhandelaar geworden. Ook werd hij in 1889 bedienaar (agent) van de ‘Roomsch katholieke Begrafenis-Vereeniging’.

De Neude in 1901. Foto: HUA

Morgen deel 3: Nog meer bewoners...