Bij de herdenking op 4 mei van 50 verzetsmensen en soldaten uit de Tweede Wereldoorlog op het ereveld van begraafplaats St. Barbara, sprak Willem Spee over zijn grootvader Petrus Gerardus Spee die vermeld staat op de gedenksteen van de Katholieke Arbeiders Bond. Ook aanwezig bij de herdenking, georganiseerd door het Comité Erehof St. Barbara, waren loco-burgemeester Voortman en kardinaal Eijk. Hieronder de toespraak van Willem Spee.

"Deze plek, de begraafplaats aan de Prinsesselaan, is op twee manieren bijzonder voor mij. Allereerst omdat de naam van mijn opa, P.G. Spee, is vereeuwigd op de gedenksteen voor de in de Tweede Wereldoorlog gevallen leden van de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB). Deze staat hier op de begraafplaats en bevat 21 namen. Alleen Adam van den Pijl is hier op het Ereveld herbegraven.

De gedenksteen van de Katholieke Arbeidersbeweging met tweede van linksonder de naam van Spee. Foto: Ton van den Berg

Maar het is ook geografisch gezien de plek die nagenoeg het middelpunt vormt van de lijn vanaf de Frans Halsstraat naar de Gildstraat. In de Frans Halsstraat woonde vanaf de jaren twintig de familie Rechter, vader Mechel, moeder Esther en zoon Bernard. Het waren joodse Oostenrijkse vluchtelingen die hier vanaf de jaren twintig een goed bestaan hadden opgebouwd in de financiële sector.

Mijn opa woonde met zijn vrouw en mijn vader, Piet Spee, in de Gildstraat. Daar was hij na vele omzwervingen en vele banen en baantjes in de crisistijd, uiteindelijk komen wonen als PTT-beambte.

Na de oorlog werd in ons gezin nooit over de oorlogstijd gesproken. Al snel kwam de focus te liggen op de koloniale oorlog in Indonesië, waar mijn vader aan moest deelnemen. Na zijn terugkomst in 1950 brak de tijd van de wederopbouw aan en verdween de nare oorlogstijd geheel op de achtergrond.

Pas enkele jaren geleden kreeg ik de behoefte er toch meer over te weten te komen, met name om iets vast te leggen voor mijn kinderen en kleinkinderen.

Willem Spee tijdens zijn toespraak. Foto: Ton van den Berg

In mijn research voor het boek dat ik over mijn opa en de familie Rechter heb geschreven, kwam ik een flink aantal ingezonden brieven van opa uit de jaren twintig en dertig tegen, vrijwel allemaal over de sociale kwestie, over de strijd voor een goede behandeling en een goede beloning van de arbeider. Een echte aanhanger van de katholieke sociale leer zoals die in de encyclieken Rerum Novarum, Over de nieuwe zaken, van paus Leo XIII uit 1892  en Quadragesimo Anno van paus Pius XI uit 1931 waren neergelegd. De ironie van het lot wil dat er nu weer een paus Leo is die zich duidelijk uitspreekt over de toestand in de wereld. Wellicht tijd voor “Rerum Novissimarum”, Over de nieuwste zaken.

Ik ga er van uit dat zijn sociale en activistische inborst mijn opa ertoe hebben gebracht om medio 1943 de Joodse familie Rechter in onderduik te nemen, ook al was er in het huis aan de Gildstraat niet echt veel ruimte.

In de Tweede Wereldoorlog zijn ongeveer 350.000 mensen in onderduik gegaan. Van die 350.000 waren er volgens de laatste schattingen ongeveer 28.000 van joodse afkomst.

Zeker medio 1943 (toen al 56% van de joodse bevolking was gedeporteerd) was het verlenen van onderduik (of zoals de Utrechtse politie het eufemistisch noemde: het verlenen van huisvesting) een hachelijke onderneming; de greep van het Nazi-bewind op de bevolking was op zijn stevigst en in Utrecht zuchtte de joodse bevolking onder de terreur van de 'centrale controle' onder aanvoering van politieagent Jan Smorenburg. Utrecht had als “stad der beweging” met op de Maliebaan het landelijk kantoor van de NSB,  een naam hoog te houden in het fanatiek helpen uitvoeren van de Endlösung der Judenfrage.

Helaas is dit onderduikverhaal onderdeel gebleken van het gemene spel dat door de Utrechtse Jodenjagers werd gespeeld: via vaak onder druk gezette burgers anderen verleiden tot het verlenen van onderduik om een paar weken later de onderduikers op te pakken en zo de bezittingen van deze mensen de ontvreemden en het kopgeld te innen dat de Duitsers hadden uitgeloofd.

De uitdrukking: ‘lupus est homo homini”, de mens is de mens een wolf, die Plautus al 200 jaar voor Christus muntte,  is hier wel zeer van toepassing en helaas zien we de laatste tijd het bewijs dat dat nog steeds het geval is. 

De familie Rechter werden in 1943 gedeporteerd, samen met de ouders van Esther en allen vonden vrijwel onmiddellijk de dood in de vernietigingskampen. Mechel, Esther en Bernard waren respectievelijk 45, 43 en 16 jaar oud.

Hun namen staan op het Joods monument bij het Spoorwegmuseum aan de Maliebaan. Vanaf het Maliebaanstation zijn per trein 1600 Joodse Utrechters naar de vernietigingskampen gedeporteerd; ruim 1200 keerden niet levend terug.

Mijn opa is na arrestatie door politiepresident Kerlen persoonlijk naar het Oranjehotel gestuurd, de beruchte Gestapo gevangenis in Scheveningen. Het is goed denkbaar dat zijn imago als sociaal activist, als 'oproerkraaier' hem fataal is geworden. In kamp Vught is opa tewerkgesteld bij het Philips-commando, de Philips-fabriek binnen de poorten. Een soort erebaantje, want het Philips-eten was goed en je werd relatief met rust gelaten. Mijn vermoeden is dat zijn vakbondscontacten geholpen hebben om hem bij Philips tewerkgesteld te krijgen.

Maar medio 1944 waren er grote transporten vanuit kamp Vught en werd het merendeel van het Philips-commando gedeporteerd naar kamp Dachau. Daar is hij in een subkamp aan het werk gezet voor de Messerschmitt-fabriek, Bij terugkeer in kamp Dachau was hij zo verzwakt, dat hij in februari 1945 is gestorven.

We gedenken in hem een man met het hart op de goede plaats, als gezegd een in het licht van de geschiedenis kleine man die een grootse daad heeft verricht.

En hoewel hij zichzelf en de familie Rechter niet in leven heeft kunnen houden, gelden wat mij betreft de woorden van Hannah Arendt die in het huidige tijdsgewricht alleen maar aan zwaarte winnen: Heldendom ligt bij mensen die in ongewone omstandigheden het gewone kunnen blijven doen.”

De dichter en oud-lid van het Utrechtse stadsdichtersgilde Nanne Nauta maakte een gedicht naar aanleiding van de toespraak van Spee, de tekst daarvan staat hieronder:

Voor de familie Rechter en de familie Spee

Je loopt van de Frans Halsstraat via het Wilhelminapark

en door de Ramstraat verder naar Wittevrouwen.

Je kijkt bij de spoorwegovergang de Maliebaan in.

Je blijft niet staan, maar loopt door, loopt snel door. 
   

Het witte huis waarin een hele klas kan schuilen,

verruil je voor een onderduikadres waar mensen

nu nauwelijks met z'n tweeen willen wonen.

Dan word je verhuisd naar een plek in de geschiedenis.
   

Daar sta je dan, Spee, met je grote rode hart.

Hulpverlening aan vluchtelingen is strafbaar.

Niks nieuws onder de zon. - Je verlaat de PTT.

Je gaat bij Philips werken, en dan bij Messerschmitt.
   

Zo opgeschreven klinkt het nog als een loopbaan.

Maar je 'carrierepad' loopt via het Oranjehotel

naar kamp Vught, en eindigt in KZ-Lager Dachau.

Wat rest is een naam op een steen te Utrecht.
  

Dichter Nanne Nauta.

Zie ook: Gunter Demnig kwam weer struikelstenen plaatsen in Utrecht (november 2023)