Herman van Tongerloo is een Utrechtse zanger, saxofonist, liedjesschrijver en librettist. Voor Nieuws030 schrijft hij met regelmaat impressies over de Utrechtse plekken waar hij vaak is geweest en die zijn leven hebben gevormd. 

Dit is deel 7: buitenspelen.
  

Herman van Tongerloo - Ik speelde graag buiten. Zuilen was in de jaren 50 behoorlijk aan het uitbreiden; rondom mijn huis voltrok zich een metamorfose. Overal waren nog de resten van het oude boerenlandschap te zien en te voelen. Nog niet bouwrijp gemaakte paradijsjes voor buitenspeelkinderen, nog niet opgehoogd met zeezand, vol flarden van vergeten infrastructuur zoals verloren hekken, rioleringsresten, putten in het niets. De lang niet meer geknotte wilgen stonden nog in pelotons langs de resten van sloten met salamanders en stekelbaarsjes als laatste bewoners. 

Vanaf de Prins Bernhardlaan tot aan de Vecht lag nog een groot leeg weidegebied. Ik kan me nog herinneren dat we met een paar jongetjes in het hoge gras liepen op een smal pad naar de rivier. Hoog gras voor kinderen van ongeveer een meter lang! Spannend: we moesten onder een hek door. En dat betekende: verboden gebied. 

De Van Maasdijkstraat liep dood op de resten van een weiland met een kleine boerderij aan de Amsterdamsestraatweg, net na de nieuw gebouwde Hervormde lagere school. Ook lag er nog een sloot, vlak naast het hek om het schoolterrein. Bij deze sloot was tijdens de schoolpauze veel activiteit. Kinderen uit een hogere klas hadden een muis gevangen. Ze deden een wreed experiment. Ze zetten de muis op een plankje en duwden dat van de kant af. De muis liep nerveus op en neer, het plankje kantelde en de muis ging zwemmend verder tot hij uitgeput was en kopje onder ging.  

Tientallen kinderen keken toe. Ik ook. Ik was van slag en heb het beeld nog op mijn netvlies staan. Een meisje uit mijn klas vond het ook zó verdrietig. Ze troostte mij en droogde mijn tranen van afschuw. Ik gaf haar spontaan een zoen en voelde mij op een bijzondere wijze gezien.

Vaak liep ik op de braakliggende terreinen. Ik speelde daar na schooltijd met andere kinderen in het van vroeger overgebleven struikgewas op verborgen plekken onder de takken en bladeren. 

Het moet in de zomer geweest zijn. Ik was een jaar of tien. Ik speelde buiten met een bal. Het schemerde en ik gooide de bal steeds tegen de muur en ving hem weer op. Een meisje voegde zich bij mij. Ik had haar op school gezien. Ze zat een klas hoger. Ze vroeg of ze mee mocht doen. We gooiden de bal tegen de muur en vingen die om beurten op. Bij elke gooi werd ze mooier en bij elke sprong kwam ze dichter bij en werd ik meer verliefd. Ik sloofde me uit om de bal indrukwekkend op te vangen, galant terug te spelen. Ik hoorde haar enthousiaste bevestiging van mijn gedoe, haar warme stem. Toen werd het donker. Ze zei dat ze naar huis moest. Ik was ontredderd en toen ik thuis kwam, miste ik haar. Heel erg. 

Ik moet denken aan Wiesje Z.. Ik weet nog dat ik bij haar thuis ben wezen spelen. Begin jaren zestig, ik was een jaar of tien denk ik. Ze kwam ook weleens bij mij spelen. U moet het volgende weten over de situatie bij mij thuis: we hadden een hond. Voor die hond was een kennel gebouwd in de achtertuin van Van Maasdijkstraat 23. Een overdreven groot geheel van stalen hekken van gaas en daarbinnen een hondenhok. Dat werd niet gebruikt door de hond; die sliep binnen. Dat hondehok was dé plaats om me met Wiesje terug te trekken. We zaten daar dicht tegen elkaar aan, voelden elkaars hartslag in het schemerdonker. En dan de terugtocht. Op tijd om ons geheim niet prijs te geven. 

In de derde klas raakte ik verliefd op de juf, juf S. Een onmogelijke verliefdheid, waardoor ik helemaal in beslag werd genomen. Haar zwarte haar, de kleurige zomerjurken, haar voeten met gelakte nagels in zomersandalen, de geur die heel even bij mijn schoolbank bleef hangen als ze langsliep. Ik droomde van haar, ze was mijn motivatie om naar school te gaan. Ik treuzelde om naar huis te gaan, bleef hangen in de klas, als alle andere kinderen al naar buiten gestoven waren. Ik vroeg iets over breuken en deed alsof ik het niet begreep. Zou ze het ooit gemerkt hebben?

In de vijfde klas kreeg ik een meester, meester Van R. Het was een hele fijne meester. Ik raakte erg gesteld op hem. Langzaam ging ik niet meer naar school voor Juf S, maar voor mijn nieuwe meester. Het leek erg op verliefd zijn.

Ik was bevriend met Hans Verhoef, een klasgenoot. Hij was de zoon van het Hoofd der school, meneer V.. Hans moest altijd oppassen voor zijn vader, want als er een voorbeeld gesteld moest worden, dan was Hans de dupe. Ik zie de ouwe V. nog altijd Hans bij de haren pakken en heen en weer schudden, voor de hele klas. 

Hans en ik hadden het plan opgevat om bij meester Van R. op bezoek te gaan. In het weekend zouden we met de bus naar Doorn rijden. Meester Van R. vond dat een goed idee. Het bezoek was fantastisch. De meester had allerlei leuke dingen voor ons bedacht. Zijn broer zou ons met de auto brengen, maar reed bij het uit de garage rijden over de voet van meester Van R. Die liep de rest van de dag een beetje moeilijk, maar het mocht de pret niet drukken.

Ik heb me toen verbaasd over de gretigheid van mijn ouders om te weten wat we die dag precies gedaan hadden. Pas jaren later heeft Hans het mij uitgelegd. Hoofdmeester V, de vader van Hans, wist dat meester Van R. homo was. Er zijn behoorlijk stevige gesprekken geweest tussen mijn ouders en die van Hans over ons toen nog voorgenomen bezoek. Uiteindelijk heeft het gezond verstand gewonnen.

In de zesde klas kregen we voor het eerst gymnastiek. Dat was niet in onze eigen school. Daar was door de gigantische babyboom geen ruimte voor. De gymzaal was door een scherm in tweeën gedeeld en bood plaats aan twee extra klassen. We wandelden met de hele klas naar een school aan de Marijkelaan, waar een grote gymzaal was. Voor mij was gymnastiek volledig nieuw. Op mijn 11e. Sport hoorde bij mijn ouders niet tot het basisopvoedingspakket.

Ik trok gympen aan en een sportbroekje. We liepen rondjes in de gymzaal. Daar zag ik Tjitske. Haar tengere figuur, een elegant zwart gympakje, haar opgeknoopte haar, haar rossige huid gevlekt door de kou, haar atletische lopen, haar schoonheid van bewegen. Het was te veel voor mij. Ik hapte naar adem. Een vrouw, een meisje van elf. Ik smolt en voelde me voorgoed veranderd. Het kind in mij trok zich terug, maar heeft me nooit verlaten.

   

Herman van Tongerloo

Dit zijn tot op heden alle stukken van Herman op Nieuws030: 

Deel 1 (Amsterdamsestraatweg)
Deel 2 en deel 3 (Prins Bernhardlaan)
Deel 4 en deel 5 (Van Maasdijkstraat)
Deel 6 (de oude begraafplaats van Oud-Zuilen)
Deel 7 (buitenspelen)