Raymond Taams -  Ik ben een Formule 1-fanaat, maar écht. Het bewijs: ik noem mijzelf geen schrijver maar ‘formul-eur’, dat woord is een verdichting van wat ik het allerliefst zou zijn geworden in het leven: Formule 1-coureur.

Formule 1-coureurs zijn geen sporters, het zijn gladiatoren, met helmen op. Liggend op hun rug – kijk maar eens goed hoe ze in die auto’s ‘zitten’ – razen ze met snelheden van meer dan driehonderd kilometer per uur over het asfalt, elkaar opjagend tussen muren op smalle circuits.

Dat ik een Formule 1-fanaat ben, komt van pas in de neoliberale prestatiemaatschappij die we in de loop der jaren met zijn allen optuigden. Iets wat je optuigde kun je trouwens ook weer aftuigen, denk aan een kerstboom, dit terzijde. 

Op momenten dat ik moet presteren denk ik regelmatig aan een zin die commentator Olav Mol eens uitsprak toen Michael Schumacher onbedreigd op zijn zoveelste Grand Prix-overwinning afreed. ‘Ja’, mijmerde Mol tijdens de laatste honderden meters voor de zwart-wit geblokte vlag, ‘deze man kan gewoon heel hard autorijden’.

Omdat ik een kind ben van het neoliberalisme, geboren in 1981, na de machtsovername van Margaret Thatcher in Engeland en de daaraan voorafgaande Nobelprijzen voor neoliberale denkers zoals Hayek en Friedman, weet ik niet beter dan dat je heel hard op het gaspedaal moet trappen om te mogen bestaan. Heel hard autorijden wilde ik daarom na de dood van mijn moeder, bijna tien jaar geleden. 

Mijn vader was al dood, er was een heleboel ellende gebeurd en nu stierf ook ma plotseling. Ik, Raymond Taams, formuleur die eigenlijk Formule 1-coureur wilde worden, was vijfendertig en zou de wereld eens laten zien hoe hard ik kon rijden.

Huilen om mijn moeder deed ik niet – of nauwelijks, ik kan het mij in ieder geval niet herinneren. In plaats daarvan verzorgden mijn broer en ik een uitvaart die op rolletjes liep, ruimden de ouderlijke woning voortvarend leeg en verkochten de boel. 

Het geërfde geld zag ik als werkbeurs om mij ongelimiteerd aan het schrijven te kunnen wijden. De afgelopen tien jaar produceerde ik een lange rij zeer behoorlijke korte teksten, maar dat was niets vergeleken bij mijn grootste trots: het feit dat ik een relatie kreeg met een knappe, intelligente vrouw die met haar twee kleuterzoontjes uit een eerdere relatie in een schattig huisje in een knusse wijk van Utrecht woonde. 

De afgelopen zeven jaar was ik het grootste gedeelte van de week bij haar, na alle moeilijkheden in het gezin waar ik zelf uitkwam, leidde ik een kalm en gelijkmatig huisje-boompje-beestje-leven, ik beschouwde het als mijn grootste prestatie ooit, die ik op overmoedige momenten toeschreef aan het feit dat ik heel hard kon autorijden.

Een week geleden eindigde de relatie. Daarna heb ik heel veel en heel hard gehuild. Om het verlies van haar, om het verlies van de kinderen, om het verlies van mijn moeder. Ik heb alleen maar vreselijk hard gehuild, en meld u dat met een soort trots.