Van Tongerloo - Van Maasdijkstraat (2)
Gepubliceerd: donderdag 28 augustus 2025 14:54
Herman van Tongerloo is een Utrechtse zanger, saxofonist, liedjesschrijver en librettist. Voor Nieuws030 schrijft hij met regelmaat impressies over de Utrechtse plekken waar hij vaak is geweest en die zijn leven hebben gevormd.
Dit is deel 5, waarin hij weer schrijft over de Van Maasdijkstraat in Zuilen. Nu het dagelijks leven.
'Een dag in de jaren 50'
Zeker in de winter waren alle ramen van de keuken aan de Van Maasdijkstraat beslagen. Vooral op maandag, dat was wasdag. In mijn herinnering staan er grote pannen op het vuur, met zeepsop en wasgoed. Mijn moeder was druk bezig; een arbeidsintensief gebeuren dat de voortdurende vraag naar frisse gestreken lakens en overhemden goed aankon. De werkdruk werd enigszins verlicht toen er eind jaren vijftig een wasmachine kwam. Het nieuwste van het nieuwste: een combinatie met een centrifuge!
Het kookpunt van de dag lag tussen de middag. Dan werd er warm gegeten. Mijn vader kwam thuis van de Demka, op zijn fiets, en mijn zusje en ik kwamen van school. Mijn moeder was thuis, zoals altijd. Het menu was voorspelbaar: maandag zuurkool of boerenkool met kaantjes in jus. Verhouding aardappelen op zuurkool/boerenkool: 2 op 1. Kaantjes waren half uitgebakken spekjes, glibberige materie die ik niet door mijn keel kon krijgen. Een van de redenen waarom ik op maandag vaak na de middagpauze te laat op school kwam.
Zeker als het op de fabriek van mijn vader niet zo lekker ging, zat er nogal wat spanning op dit moment van de dag. Iedereen sprintte na de kaantjes weer weg, soms met een stevig godverdomme van mijn vader.
Dinsdag bietjes of iets met kool, vaak een gebakken plak boterhamworst. Woensdag bloedworst, lekker. Donderdag gebakken lever, minder lekker. Vrijdag vis; dan kwam de visboer langs, net als op de andere dagen de groenteboer, de melkboer, de schillenboer, de voddenboer, en soms de scharensliep.
Vooral deze laatste ondernemer had mijn interesse. Eerst gingen de kinderen langs de deuren om scharen en messen te verzamelen. Het lukte de scharenslijper wonderwel om alles te slijpen op de grote ronde slijpsteen die hij met een trapmechanisme op grote snelheid bracht. Ik zag de concentratie op zijn gezicht, zijn zwarte handen, vaak met kleine wondjes. Alle scherpe messen en scharen kwamen weer precies bij de juiste eigenaren terug. En dan duwde de scharensliep en zijn kinderen die zware steen op wielen zonder banden de straat door.
Ook kwam het draaiorgel eens per week langs. Het geluid kwam van ver. Het had iets dreigends. De orgelman had zijn vaste punten om te stoppen. Daar draaide hij aan het wiel, dat de gaatjes in het orgelboek in een constante stroom in het binnenste van het grote instrument deed verdwijnen. De bladzijden van het orgelboek kwamen er aan de andere kant weer uit. Ongeschonden vouwde het boek zichzelf weer op. Na de laatste samenballing van gaatjes, trok de orgelman weer verder in kortstondige stilte.
En dan plotseling vol op het orgel, precies voor onze deur. Er ging een siddering door me heen. De bel ging, mijn moeder deed open en gooide een kwartje – of was het een dubbeltje? Ze was nogal zuinig – in het op de maat geschudde bakje van de orgelman.

En dan was er nog de voddenman. Al trappend op zijn bakfiets zong hij. Oude liederen, aria's, stukken uit opera’s en operettes. Een heldere, wijd klinkende tenor vulde het Vliegerplein. ‘s Ochtend vroeg in de zomer kreeg alles iets ontluikends. Ik stond op omdat ik bij zoiets moois niet in bed kon blijven liggen. En zat niet veel later droevig aan het ontbijt, omdat het mooiste van de dag al voorbij was.
En dan zaterdag. Rebecca en ik zaten de ochtend gewoon nog op school en mijn vader op de Demka. Soms aten we tussen de middag rijst of grutjes met boter en suiker. Grutjes zijn stilletjes van het menu verdwenen. Er werd niet echt gekookt op zaterdag. Wat ik nog weet is dat er aan het begin van de avond wit brood werd gegeten, speciaal voor het weekend, en dat vleeswaren van de slager wat ruimer aanwezig waren. Ik kon me erop verheugen.
Zondag aten we wat later; om een uur of twee. Er was dan soep vooraf; meestal vermicellisoep. Het was ook het moment waarop mijn vader vrijwel ongestoord naar het zondagmiddagconcert op de Draadomroep luisterde. De soep ging in stilte. Ik hoorde alleen de lepels en voorzichtig geslurp. De maaltijd had in het weekend ook een iets hoger niveau. Draadjesvlees en donkere jus – zonder kaantjes.
Soms was er zondags erwtensoep. Die was zaterdag al bereid en een dag later bleef de grote opscheplepel rechtop in de soep staan. Een teken van kwaliteit. De soep was buitengewoon populair, vooral bij mijn vader. Met verbijstering keken we toe hoe hij vijf borden leeg at. Hoe meer borden, hoe meer we hem toejuichten! Hij kon goed eten, die vader van me.
Toen vond er een omwenteling plaats. Die zaterdag wachtte ons een verrassing. Midden op tafel stond een onbekende schaal, afgedekt met een rode theedoek. Bijna feestelijk werd de doek verwijderd en er toonde zich een wit-rode materie, die bestond uit kleine kromme pijpjes die met elkaar een plakkerige massa vormden. Macaroni met ham en kaas. Het gezin stortte zich erop. Wat was dat lekker! Mijn zusje en ik wisten niet dat mijn moeder vrijdagavond op een kookcursus zat – en dit was het resultaat. Bijna elke zaterdag aten we voortaan macaroni met ham en kaas. En geloof het of niet: het verveelde nooit!
Aan de overkant van de straat zag ik niet veel later naast een vuilnisbak een radio staan. Een oude, blijkbaar afgedankt, maar nog best om aan te zien. Ik tilde de radio op en bracht hem naar de zingende voddenman. Ik kreeg er een dubbeltje voor; het eerste dubbeltje waar ik voor was geboren.

Dit zijn tot op heden alle stukken van Herman op Nieuws030:
Deel 1 (Amsterdamsestraatweg)
Deel 2 en deel 3 (Prins Bernhardlaan)
Deel 4 en deel 5 (Van Maasdijkstraat)
Deel 6 (de oude begraafplaats van Oud-Zuilen)