Door Jeroen Wielaert - Een bonk levenskracht aan het tafeltje in Orloff. Theo Mackaay is net 75 geworden. Hij heeft zijn eerste jubileumexpositieweekend achter de rug en er volgt nog een weekend op 29 en 30 november. Allemachtig, wat een wijn er doorheen is gegaan op de openingsavond in de evenementruimte van de Werkspoorfabriek aan de Schaverijstraat. Zelf drinkt hij heel weinig. Hij zegt: 'Ik heb er geen behoefte meer aan. Je moet wel een beetje fit zijn, anders gaat het niet meer, als je ziet wat ik in een jaar nog maak.'

Hoe feestelijk is dat, 75? Mackaay: 'Voor mij is het een feest der herkenning. Iedereen kwam met een flesje wijn. Er waren veel mensen van vroeger die ik jaren niet had gezien. Het is een reunion exposition.'

Een vitale mijlpaal ook? 'Dat vind ik wel. Ik ben al 45 jaar niet bij een dokter geweest. Het is natuurlijk ook geluk dat je het genetisch niet naar de verkeerde kant hebt gestuurd. Ik heb veel dierbaren verloren die de 70 niet gehaald hebben. Dat is de moeilijkheidsgraad van het ouder worden. Een probleem? Nee, ik ben heel erg realistisch. Wat weg is, komt nooit meer terug. De wereld van de bijzondere mensen dunt uit. Dan moet je naar het diepere in jezelf gaan, om het bijzonder te houden. Maar het gemis blijft. Veel mensen zijn inspiratiebronnen. Het is jammer als die wegvallen. Een goeie vriend als Ad Jenner. Hij had geen makkelijk leven, maar was wel een inspiratie. Die Baliekluiver, daar was hij 30 jaar mee bezig. Het is toch ook zijn mijlpaal. De laatste jaren had hij zijn conditionele achteruitgang niet in de gaten. Ik zag het wel.'

Het is onderwerp van het boek waar hij mee bezig is: De Teloorgang van het Heden. Mackaay is halverwege. 'Daarin beschrijf ik alles wat we vast hebben gehad, maar ook weer kwijt raken. Ik noem de bouwcultuur, de fabriekscultuur. De Werkspoorfabriek, ik ben ermee opgegroeid in mijn jeugd. Het is een prachtig tijdsbeeld. Het is ontzettend leuk om nu een tentoonstelling te hebben in die mijlpaal van mijn leven. Het is cultureel erfgoed dat bewaard wordt. Gelukkig maar. Wat ik betreur in het leven dat bijzondere mensen die inspiratie leverden, te vroeg afscheid moeten nemen van me en ik van hen. Je moet accepteren dat de dood hoort bij het leven en dat je diep moet graven om door te gaan, met plezier en diepgang.'

Als voormalig begeleider van Lenny Kuhr en oud-lid van de legendarische Utrechtse groep Braak vindt hij het positief terug gevraagd te zijn in de muziek. In 2017 nam hij afscheid van deze professionele kant van zijn loopbaan. Hij speelt nu weer gitaar in de Still Traveling Wilburys, genoemd naar de supergroep met Bob Dylan en het overleden drietal George Harrison, Tom Petty en Roy Orbison. Mackaay: 'Ik kan die Orbison vertegenwoordigen en zie dat veel jonge mensen mij weer inspireren. Ik hoef niemand meer te zijn, alleen mee spelen. We hebben veel succes met de liedjes, treden veel op. Dus dat is een nieuwe bron van inspiratie. Het houdt wel in dat je jong van geest moet blijven en open staan voor de dingen die op je afkomen. Ik schuw weinig, moet ik zeggen.'

Na hem is er een jongen van 60, de anderen zijn 34, 38, 47 en 52. 'Broekies, maar wel allemaal topmuzikanten.'

Zes weken per jaar maken ze toertjes in Nederland en België. Van Drachten naar Gent, noem maar op. Zitten daar in België drie vrouwen van in de 70, blij om die muziek weer te horen. Zeggen ze tegen hem in zangerig Vlaams dat ze hun ogen dicht hebben gedaan en dat ze goed naar Orbison hebben geluisterd. Dat maakt hem weer blij.

Beelden en schilderijen, het werk van Theo Mackaay. Foto: Jeroen Wielaert

Het is ook zo met zijn schilderijen en beelden. 'De mensen zien dingen die ze zelf begrijpen, maar niet met hun handen kunnen maken. Gelukkig heb ik dat talent wel. Het is een ijkpunt in je leven, dat je dingen hebt gemaakt die nooit meer veranderen. Alsof je pas gemaaid gras uit je jeugd ruikt. Dat geeft houvast in het leven.'

De namen van Jan Wolkers en Jan Cremer vallen. Gretig zegt Mackaay hoe verwant hij zich voelt met die twee. 'Dat brutalisme van Cremer. Ik schreeuw het niet van de daken, maar straal het wel uit, die inspiratie.'

Op de expositie is werk van de laatste jaren bijeen gebracht, schilderijen en beelden van uiteenlopend formaat en materiaal. Zijn laatste schilderij hangt er, een fors doek dat hij begin november voltooide. Het is een paard met twee vrouwen en felle zonneschijn, geschilderd met veel groen, blauw, rood en geel. 'Het is luministisch werk, met kleuren die ik niet zomaar altijd gebruik. Het belooft openheid voor de toekomst. Het is mooi om heldere dingen te maken, dat de zon schijnt. Dat is wel majeur schilderen. Donker en herfstachtig is onbestemd, mijn zielenleven is meer daar. Het is eigenlijk de verbinding van mens en dier. De hersens van de mens en de kracht van het paard brengen je daar waar je hoort te zijn.'

Paard met twee vrouwen.

Het voert regelrecht terug naar de inspiraties van zijn jeugd. 'Ja, wat een kunstenaar nodig heeft is de onbevangenheid van een kind, dat hij zijn onbegrensdheid bewaart. Dan kan je onbeperkt blijven werken. Anders houd je het niet zo lang vol als ik. Als kind stap je niet in de maatschappij vol regels die ik al mijn hele leven overtreed.'

Hij zegt het met een mengeling van opstandigheid en berusting. 'Daarom verlies je het in de maatschappij die je terug probeert te stampen in hun mal, maar daar ben ik niet geschikt voor, dus dat kost me veel geld. Ik vind het vreselijk om in zo'n wereld te leven, vooral voor kunstenaars, omdat je niet in het plaatje past. Ik probeer die machine steeds te ontlopen. Dat is de zegen van mijn kunstenaarschap.'

Dus exposeert hij nu twee weekends lang in de Werkspoorfabriek, maar heeft hij geen expositie in het Centraal Museum. 'Dat zou ik wel willen, maar dat is moeilijk. Ik kan niet gaan bellen als kunstenaar dat ik in het Centraal Museum hoor. Ik vind dat ze niet goed kijken naar hun eigen omgeving. Een profeet wordt niet geëerd in eigen stad. Dat geldt ook voor anderen die ik dat verschrikkelijk zou gunnen. De gemeente doet ook niks meer om mensen een beeld te laten maken, omdat ze langzaam aan het verdwijnen zijn. De aandacht die nodig is ontbreekt. Dat is heel jammer.'

Hij kan namen genoeg noemen van kunstenaars die wel opdrachten kregen. Pieter d'Hont, Paulus Reinhard, Joop Hekman, Arthur Spronken, Paul Grégoire. Zij kregen de ruimte nog, de jaren zestig. Het is nu anders, weet Mackaay. 'Ik zie het nooit meer. Je bent gedoemd om als salonkunstenaar onder de rook van de rijken te leven, in plaats van dat ze mooie opdrachten geven. Het is ook in het belang van de tijdgeest, dat er iets overblijft van onze generatie. Ze betalen nu 200 miljoen voor een schilderij van Gustav Klimt. En niet voor een kunstenaar die over 100 jaar beroemd wordt en nu met het badwater wordt weggegooid. Als er niets geplaatst wordt, leef je niet. Een goede kunstenaar sterft, maar gaat nooit dood.'

In Utrecht blijft het bij de beelden op de Maliebaan en de Croeselaan. Er is geen ambitie voor nieuwe beeldenroutes. Dat zit Mackaay dwars. 'Het waren allemaal bestaande beelden die ze op die plekken hebben gezet. Er is niets nieuws.'

De stad bezuinigt op kunst in de openbare ruimte. 'Ja, maar dat slaat nergens op. Ze zetten wel overal parkeermeters neer waar je 500 meter voor moet lopen.'

Hij heeft weinig ruchtbaarheid gegeven aan de huidige exposities. Hij is er wel trots op, er zijn er maar weinig die zoiets neerzetten in Utrecht. Hij kent de zonnige, maar ook de schaduwkanten. 'Ik ga mank aan een kant, maar spring een kilometer aan de andere kant. Je ontmoet overal bijzondere mensen. Alleen kom je nergens. Ik heb 30 jaar geleefd als een waanzinnige, maar ook heel hard gewerkt. Ik ben wel heel vrijgevig. Als het met mij goed gaat, gaat het goed met mijn omgeving. Ik kan heel goed delen.'

Theo Mackaay Jubileumexpositie. Nog zaterdag 29 en zondag 30 november, 12.00 tot 18.00. De Werkspoorfabriek. Schaverijstraat 9-11, Eventspaces van Werkspoor Raakt (de Kraan & de Skybox).

Inkijkje bij de expositie van Theo Mackaay. Foto's: Jeroen Wielaert