‘Als ik nu 40 was, begon ik een Utrechts stadsmuseum’
Gepubliceerd: dinsdag 7 juli 2026 10:30
Utrechter Jos Stelling, die deze maand 81 jaar oud wordt, is regisseur in ruste. Met dialoogarme, beeldende films als De Illusionist en De Wisselwachter bouwde hij een oeuvre op dat internationaal zeer wordt gewaardeerd — zijn debuutfilm Mariken van Nieumeghen werd al in 1975 geselecteerd voor het festival van Cannes. Stelling is op dit moment cultureel ondernemer en eigenaar van drie arthousebioscopen in Utrecht: Springhaver, Louis Hartlooper Complex en Filmtheater Slachtstraat.
Door Jim Terlingen
’Een stad die zichzelf respecteert moet een historisch stadsmuseum hebben’, zegt Jos Stelling in een recent gepubliceerde video op De Nuk. De zaterdag erop besteedde dezelfde site met de talkshow ‘Herrie in de Slachtstraat’ volop aandacht aan zijn plan. Bart Rutten (directeur Centraal Museum), Lieve Baetens (directeur Volksbuurtmuseum), Renger de Bruin (historicus), Ad van Liempt (journalist en historicus) en Jos spraken erover onder leiding van Carine van Santen.
Zo’n Utrechts Historisch Stadsmuseum klinkt in mijn oren als een gouden idee. Maar hoe realiseer je zoiets in een stad als Utrecht met die politici, ambtenaren en natuurlijk verschillende directeuren met elk ook een stukje Utrecht-museum? Ik vroeg Jos om een interview en we spraken af in zijn café Springhaver. Het gesprek begon persoonlijk.
-
‘Hoe is het met je?’, vraagt hij terwijl hij me een hand geeft. De toon is oprecht. Om daar niet meteen op in te gaan - dit gesprek gaat ten slotte niet over mij - stel ik de vraag eerst maar eens terug.
Nou, ik ben anderhalf jaar geleden flink ziek geweest, met zelfs een opname op de intensive care. Het bleek de Ziekte van Weil te zijn. Ik lag twee weken in coma, het was kantje boord. Maar van die periode weet ik niets meer. Het scheelde maar weinig of ik was er niet meer. Dat beïnvloedt eerlijk gezegd wel hoe ik me nu voel. Ik weet nu: je merkt er niets van als je doodgaat. Je bent er zomaar opeens niet meer.
Maar het gaat nu weer goed. Ik vierde vorig jaar in de Stadsschouwburg mijn tachtigste verjaardag als een soort begrafenis waar ik zelf bij was. Dat was te gek, dat had ik altijd al als wens, gewoon levend bij je eigen begrafenis.
'De Dans van Natascha' uit 2023 was je laatste film, zei je. Staat dat nog steeds?
Ja, ik ben echt gestopt. Weet je wat daarvan een leuk bijeffect is? Ik praatte mijn hele leven met mensen waar ik een belang bij had, of zou kunnen hebben. Dat ‘kan ik er wat mee’ ben ik nu kwijt. Ik vraag nu meer: hoe gaat het er mee? Je wordt aardiger, je hoeft niet meer zo.
Hoe kijk je nu op je oudere zelf terug?
Ach, ik deed wat ik moest doen. Mensen verwachten dat ook van je. Hier in het café bemoeide ik me bijvoorbeeld ook met de plantjes en had altijd wat te zeiken. Als ze mij zagen, kregen de plantjes gelijk water.
Ben je nu een leuker mens?
Dat vind ik wel ja.
Wat doe je nu allemaal, na ‘je begrafenis’?
Ik ben onder meer bezig met het schrijven van een boek over mijn leven. Dat houdt me overeind. Ik schrijf hem voor m’n kinderen en om zelf een beetje grip te houden op mijn leven. Hoe zinloos ook. Ik ben een control freak.
De eerste 40 jaar, de helft, heb ik nu gehad en realiseer ik me wat voor fantastisch leven ik heb gehad. Al die films, al die avonturen. Het wordt ook wel een heel dik boek vrees ik. De raarste details komen voorbij. Ik vroeg voor mijn eerste film Mariken van Nieumeghen figuranten met een fysieke handicap en er nooit aan hadden gedacht een 'filmster’ te worden. In mijn huis zaten ze te wachten op de trap en hadden de grootste lol met elkaar! Dat beeld van die mensen op mijn trap, maakt me vrolijk.
Is het een boek dat pas na je dood naar je kinderen gaat?
Inderdaad. En de werktitel is ‘Hoe de hemel eruitziet’. Een grap, waarin ik suggereer dat ik dat weet en zij nog niet. Ik ben nu bezig met het gedeelte over De Illusionist met Freek de Jonge, zo rond 1985. Een toch wel moeizame samenwerking, maar toch ook weer veel gouden herinneringen.
Je schrijft niet alleen, je maakt je ook sterk voor een historisch stadsmuseum. Daarover zouden we vandaag spreken.
Ja, het is bizar dat Utrecht dat niet heeft, een Utrechts Historisch Stadsmuseum. Dat pand op het Domplein, waarin eerder de muziekschool zat, zou echt heel geschikt zijn. Zo’n 30 of 40 procent van de expositie staat dan al in de buurt: Domkerk, Domtoren, DOMunder en Lofen.
Je zou prachtige thema-exposities kunnen maken. Onderwerpen te over: de Middeleeuwen, het kerkenkruis, Tweede Wereldoorlog, het beroemde Utrechtse schone water, gastarbeiders, queer-geschiedenis, FC Utrecht, noem maar op.
Ik was eens bij de afdeling Erfgoed in de Zwaansteeg. Daar hadden ze allemaal bekertjes, schoenen en andere zaken die zijn opgegraven in Utrecht. Allemaal spulletjes voor het nieuwe museum. Dat geldt ook voor al die spullen die nu bij het Neude zijn gevonden. Het is toch hartstikke leuk om die tentoon te stellen en de verbanden te leggen.
In de Nuk-talkshow reageerde Bart Rutten, directeur van het Centraal Museum, best sceptisch. Hij vermoedt dat het aantal bezoekers gaat tegenvallen. Hij vond ook dat zo’n museum beter aan de andere kant van het spoor in de buurt van de Beatrixhal zo passen.
We zaten even niet helemaal op dezelfde lijn. Het Domplein is een volstrekt unieke plek waar het meeste zich al bevindt. Ik stel me een grote foyer voor waar je gratis naar binnen kan met een infobalie met boeken en kaarten, een leestafel, een barretje met koffie, toiletten en natuurlijk een kassa voor de museale tentoonstellingen en presentatieruimten, waar verbanden tussen het verleden, heden en toekomst worden gelegd.
In deze tijden van individualisatie en eenzaamheid vervult juist ‘de stad’ een belangrijke rol. Het beoogde museum wordt pas echt een publiekelijk succes als er sprake is van toegankelijkheid en gastvrijheid: een veilige plek om te schuilen. Zo’n plek waar je je als Utrechter thuis voelt.
Natuurlijk moet de gemeente meedoen, maar dat mag niet te kostte gaan van de bestaande gesubsidieerde musea. Ons museum is een groeidiamant welke ook een sterk beroep zal doen op het bedrijfsleven en op samenwerken.
Wat moet er naar jouw oordeel nu verder concreet gebeuren?
We zijn al bezig met een comité van aanbeveling. Wat invloedrijke mensen die wat kunnen meedenken en supporten. Vervolgens moet er natuurlijk vanuit de gemeente voldoende steun zijn om er mee door te gaan. De gemeente is tenslotte eigenaar van het beoogde pand, de oude muziekschool.
Dan moet er een stichting met een anbi-status worden opgericht, met een heel breed bestuur bestaande uit afgevaardigden van huidige bestaande musea. Dan een opdracht aan architect, met lijst van eisen, voor een mooie 3D-presentatie en een huisstijl. Wanneer er dan enig inzicht is in de kosten en het businessplan gaan we aan de financiering werken. Bij voldoende perspectief gaan we het in fasen realiseren. Dat is dat groeidiamant-idee.
Een Stadsmuseum zou voor Utrecht echt een mooie toevoeging zijn en de liefde voor de stad alleen maar vergroten. Ik zou er graag aan meewerken, maar mijn rol is beperkt. Als ik nu 40 jaar was, was ik eraan begonnen. Ik heb niet het eeuwige leven, maar de stad wel.