Dit is de vijfde Nieuws030-column van Kees van Oosten over de slepende juridische procedures van de gemeente Utrecht tegen een pandeigenaar die zijn recht zoekt. De kosten van de gemeente lopen op tot 8 miljoen, maar niemand bij de gemeente wordt ergens op afgerekend.

Zie deel 1 (5 maart), deel 2 (6 maart) deel 3 (24 maart) en deel 4 (19 juni)
   

Deel 5: opmerkelijke uitspraken

Recentelijk heeft de Raad van State (RvS) een paar opmerkelijke uitspraken gedaan. Ik begin met de uitspraak waarin de RvS besloot dat de omgevingsvergunning die pandeigenaar A in mei 2020 aanvroeg voor de vernieuwing van de achtergevel, van rechtswege is verleend omdat de gemeente daar niet rechtmatig en tijdig op had beslist.

Gedoe over de achtergevel

Even kort de geschiedenis. Op 13 mei 2020 vroeg A de omgevingsvergunning aan. Nadat deze in behandeling was genomen lag op 15 september 2020 de vergunning klaar om verstuurd te worden, getekend en wel. Twee dagen later besloten ze bij VTH de vergunning toch maar niet te verlenen met als bizar argument dat A geen belang zou hebben bij de vergunning.

De RvS stelde A op 15 juni 2022 in het gelijk: hij was wel belanghebbend; de gemeente moest alsnog een beslissing nemen op het bezwaar en de aanvraag. Op 10 augustus 2022 besloot VTH echter het bezwaar van A niet-ontvankelijk te verklaren met hetzelfde curieuze argument dat hij geen belang zou hebben.

A ging weer in beroep. De rechtbank gaf A op 17 augustus 2023 weer gelijk: hij was wel degelijk belanghebbend en de gemeente moest weer een nieuwe beslissing nemen. De gemeente stuurde A een brief, of A in twee weken tijd bijna 10 rapporten kon aanleveren. Een onmogelijke opgave. VTH stelde de aanvraag voor de derde keer buiten behandeling.

A ging weer in beroep. De rechtbank gaf echter op 1 augustus 2024 deze maal de gemeente gelijk. A liet het er niet bij zitten en ging in hoger beroep bij de RvS. Daar krijg hij uiteindelijk op 15 juli 2026 gelijk, want de RvS oordeelde, zoals gezegd, dat de omgevingsvergunning van rechtswege was verleend. Kortom, de omgevingsvergunning die VTH in september 2020 besloot toch maar niet te verlenen, werd door de RvS 6 jaar later alsnog verleend.

De achtergevel is echter inmiddels door de gemeente verbouwd, geheel in strijd met de omgevingsvergunning die voorziet in een andere achtergevel die een stuk naar achteren wordt gebouwd en die dus, zoals de RvS oordeelt, al in 2020 verleend had moeten worden. Voor de verbouwing die de gemeente had uitgevoerd, ontving de eigenaar een fikse nota van bijna 300.000 euro (voor een achtergevel van nog geen 4 meter breed en een paar verdiepingen hoog)!

Het gedoe over die omgevingsvergunning roept in elk geval vier vragen op: 

  1. Wat heeft dit getreiter de gemeente zelf gekost? Hoeveel uren van VTH en van Juridische Zaken en externe juristen zijn hierin gaan zitten? 
  2. Waarom mocht A die achtergevel persé niet zelf bouwen?
  3. Waarom moet A voor de kosten opdraaien voor de achtergevel die de gemeente bouwde, terwijl naderhand  blijkt dat de gemeente A de omgevingsvergunning al in 2020 moest verlenen?
  4. Welke schade gaat de gemeente aan A vergoeden voor het 6 jaar lang dwarsbomen van de verbouwing van de achtergevel?

Gedoe over de keldermuur
De Raad van State deed nog een opmerkelijke uitspraak, namelijk over de mandelige (gemeenschappelijke) keldermuur tussen pand A en pand B. Die was gaan uitbuigen in de richting van pand A. Vreemd genoeg kreeg in januari 2018 eigenaar A, en niet ook eigenaar B, de opdracht om die keldermuur te herstellen. Onderzoek naar wat of wie die keldermuur had doen uitbuigen deed de gemeente niet. En waarom juist A de opdracht kreeg de muur te herstellen was onduidelijk. In pand A was de laatste jaren niets gedaan wat die uitbuiging tot gevolg kon hebben. In pand B hadden wel na 1995 diverse verbouwingen plaatsgevonden, ook in de kelder van B. Verbouwingen waar VTH vergunning voor had gegeven!!!

Pas nadat A bezwaar maakte kreeg B in november 2018 ook een last onder dwangsom voor de keldermuur. En werden in 2019 beide eigenaren met een last onder bestuursdwang aangeschreven, waarna vervolgens de gemeente de keldermuur verbouwde én de kelder van A voorzag van een stalen bouwconstructie om het pand B te stabiliseren. Dat dit niet mocht lijkt ook uit de uitspraken van de RvS naar voren te komen, omdat de RvS eigenaar A naar de civiele rechter verwijst om het handelen van de gemeente aan te vechten.

De kelders in de binnenstad zijn gebouwd in de middeleeuwen. Om het extra gewicht van een grootschalige verbouwing/uitbreiding van pand B op te vangen werd de keldermuur tussen A en B aan de kant van B waarschijnlijk rond 1885 verstevigd met een eensteensmuur (210 mm), die ook de waalstenenmuur wordt genoemd. Daarbij werd ouder metselwerk afgebroken en kwam die waalstenenmuur daarvoor in de plaats. Dat was ook een logische ingreep, omdat door de druk vanuit het tongewelf van de kelder van B een zijwaartse kracht wordt uitgeoefend op de keldermuur en dat die zonder die versteviging zou bezwijken.

Na die ingreep bestond dus de keldermuur uit een waalstenenmuur (aan de kant van B) en een kloostermoppenmuur (aan de kant van A). Hoe de keldermuur met de waalstenenmuur en keldermuur eruitzag, blijkt uit de volgende tekening. De kloostermoppenmuur was zo krom dat deze geen dragende functie meer had. Daar was eenieder het over eens.

De gemeente heeft van het begin af aan vermeden te onderzoeken of de oorzaak van de uitbuiging gelegen zou kunnen zijn in de verbouwingen van pand B waarvoor de gemeente eerder een bouwvergunning had verleend. Dat daarbij muren onder het tongewelf van B werden gesloopt en een deel van die waalstenenmuur werd gesloopt (om een trap in de kelder van B te bouwen), was volgens de gemeente niet van belang. De waalstenenmuur zou namelijk in de ogen van de gemeente een voorzetwand zijn!

De RvS kwam tot het wonderlijke oordeel dat die waalstenenmuur geen dragende functie vervult, ook niet voor het tongewelf van B. Waarom die waalstenenmuur destijds zodanig en met die dikte was gebouwd, anders dan ter ondersteuning, is niet te begrijpen. Temeer omdat de RvS in een andere uitspraak onderkent dat de oude kloostermoppenmuur een dusdanige uitbuiging had dat die in bouwtechnische zin was bezweken.

Als die waalstenenmuur geen dragende functie had en de oude kloostermoppenmuur feitelijk was bezweken, hoe konden beide panden dan toch jarenlang overeind zijn gebleven en wat maakt dan dat de panden niet waren ingestort?

De uitspraken van de RvS over de keldermuur kunnen feitelijk niet juist zijn.

Had de RvS er niet verstandig aan gedaan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak om advies te vragen? Als ik pandeigenaar A was zou ik met deze vreemde en onmogelijke uitspraken naar het Europese Hof in Straatsburg stappen. Misschien doet hij dat ook wel.