De vierde column van Kees van Oosten over de slepende juridische procedures van de gemeente Utrecht tegen een pandeigenaar die zijn recht zoekt. De kosten van de gemeente lopen op tot 8 miljoen, maar niemand bij de gemeente wordt ergens op afgerekend. 
   

Zie deel 1 (5 maart), deel 2 (6 maart) en deel 3 (24 maart 2026)

   
Deel 4: w
at moest het Berenschot-rapport verhullen?

Toen uitkwam dat de gemeente rond een miljoen aan dwangsommen moest betalen wegens het te laat nemen van besluiten in procedures met pandeigenaar A, stelde de VVD vragen [1] en kreeg bureau Berenschot opdracht uit te zoeken hoe dat was gekomen. Volgens Berenschot [2] kon noch het hoofd van Handhaving noch de verantwoordelijke wethouder noch wie dan ook bij de gemeente daar wat aan te doen. Het zou komen door de complexiteit van het dossier en door het gebrek aan regie binnen de gemeentelijke organisatie. [3] Kennelijk is de regie bij de gemeente iets waar geen leidinggevende of wethouder invloed op heeft.

Het verloop van het dossier Binnenstad is namelijk niet te wijten aan een of enkele personen die hun werk niet goed gedaan hebben” (Berenschot-rapport p.6)
  

De onderzoekers van Berenschot spraken alleen met ambtenaren en bestuurders van de gemeente. Dus niet met pandeigenaar A en niet met pandeigenaar B (de buurman). Er werd ook geen onafhankelijke deskundige bij betrokken. Wat er bouwkundig nu precies aan de hand was valt uit het rapport niet op te maken. De vraag is: werd Berenschot soms ingehuurd om ervoor te zorgen dat de direct verantwoordelijke leidinggevende en het college niet afgerekend zouden worden op de zeer kostbare falende handhaving? 

Het Berenschot-rapport gaat over de als onveilig beschouwde keldermuur tussen pand A en pand B en de gebrekkige handhaving daartegen. In 2017 was er een melding gedaan. Er zou gevaar zijn voor instorting doordat dat de muur kon bezwijken. De eigenaar van pand A kreeg op 12 januari 2018 een last onder dwangsom om de (gemeenschappelijke) keldermuur tussen pand A en pand B te herstellen.

Nadat de eigenaar van pand A bezwaar maakte kreeg pandeigenaar B in november 2018 ook een last onder dwangsom opgelegd. Die maakte ook bezwaar. In het najaar van 2019 besloot de gemeente zelf tot het herstel van de keldermuur over te gaan op kosten van A en B. 

Het bezwaar van eigenaar A tegen de last onder dwangsom van 12 januari 2018 werd op 5 juni 2019 ongegrond verklaard. Eigenaar A ging in beroep bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat de gemeente onvoldoende onderzoek had verricht en vernietigde het dwangsombesluit (ECLI:NL:RBMNE:2020:6086). De gemeente ging echter in hoger beroep, maar kreeg bij de Raad van State ook ongelijk (ECLI:NL:RVS:2021:2027).

Ook de last onder dwangsom die eigenaar B in november 2018 kreeg opgelegd steunde niet op voorafgaand onderzoek. In een normaal bedrijf zou de leidinggevende die daarvoor verantwoordelijk is daarop zijn aangesproken. Maar bij de gemeente Utrecht gebeurt dat niet.

Dat het verloop van het dossier Binnenstad niet te wijten zou zijn aan een of enkele personen die hun werk niet goed hebben gedaan, zoals Berenschot schrijft, is dus onzin. Als er wél (serieus) onderzoek was gedaan alvorens de pandeigenaren de lasten onder dwangsom op te leggen, was de gemeente niet door de rechtbank en de Raad van State in het ongelijk gesteld en was de juridische strijd daarmee afgelopen of had het probleem in overleg opgelost kunnen worden.

De besluiten om de eigenaren A en B aan te schrijven met lasten onder dwangsom zonder voorafgaand onderzoek werd getekend door toenmalige hoofd Toezicht en Handhaving Bebouwde Omgeving drs. Jennemieke Kleijwegt, inmiddels gepromoveerd tot directeur VTH en inmiddels ook voorzitter van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, landelijke beroeps- en kennisvereniging voor professionals in het bouw- en woningtoezicht. [4]

Op 15 juni 2020 kreeg Expertisecentrum Regelgeving Bouw (ERB) de opdracht de gemeente te ondersteunen bij het genoemde hoger beroep. [5] De keldermuur was toen al hersteld en van de vermeende gebreken was niets meer te zien. Op 23 december 2021 kwam ERB met een rapportje waarin het besluit dat door de rechtbank en de Raad van State was vernietigd alsnog werd recht gepraat.

Geen onafhankelijk rapport dus, want het was “ter ondersteuning van de gemeente bij het hoger beroep”. Opvallend was dat verbouwingen die in het verleden in de kelder van pand B hadden plaatsgevonden, waarvoor de gemeente vergunningen had gegeven, niet door ERB werden genoemd. Alsof die niet de oorzaak konden zijn van het uitbuigen van de keldermuur.  

Het uitbuigen van de keldermuur zou volgens ERB gekomen zijn omdat de kelder van pand A in het verleden was uitgegraven. Sinds de bouw in de middeleeuwen zou de kelder vol grond zitten. Er zou volgens ERB dus een kelder zijn gebouwd om die vol te gooien met grond. [6]

Door die grond weg te halen zou de keldermuur onvoldoende tegendruk bieden aan de belasting vanuit pand B. De implicatie van die verklaring is dat het uitbuigen van de keldermuur het gevolg was van zijdelingse druk vanuit pand B. Dat maakt het des te onbegrijpelijker waarom ERB niet alleen niet onderzocht heeft welke bouw- en sloopactiviteiten in pand A, maar ook niet die welke in het buurpand B hadden plaatsgevonden in het recente of verdere verleden. 

Bewijs dat de kelder van A ooit vol grond zat bood het rapport niet en ook niet wanneer die grond er weer zou zijn uitgehaald. Zeer opmerkelijk is dat ERB tijdens de hoorzitting van 7 september in 2022 bij de gemeente verklaarde dat elk pand binnen haar eigen perceelgrenzen stabiel moet zijn. De bewering van ERB dat de kelder van A met grond was gevuld en daardoor tegendruk zou hebben gegeven waardoor de keldermuur niet kon uitbuigen, is dus ook nog eens in strijd met de door ERB zelf aangehaalde bepaling uit de bouwregelgeving dat elk pand uit zichzelf stabiel moet zijn.

Uit: bouwgeschiedenisutrecht.nl

Overigens, ERB was er kennelijk niet van op de hoogte dat de gewelfde doorgangen onder de straat ooit werden gemaakt om de kelders onder de panden bereikbaar te maken vanaf de gracht. Wat geen zin had als die vol gestort zouden worden met grond.

De vraag die Berenschot ten onrechte niet stelde en dus niet heeft beantwoord, is: waarom ging Handhaving er begin 2018 zonder enig onderzoek vanuit dat de oorzaak van het uitbuigen van de keldermuur in pand A gezocht moest worden en niet in de kelder van buurpand B waar na 1995 nog diverse verbouwingen hadden plaatsgevonden? Was dat om de schuld en oorzaak van het uitbuigen van de keldermuur niet bij de gemeente te hoeven zoeken? De gemeente had immers vergunningen verleend voor die verbouwingen in pand B en moest toch toezien op de naleving daarvan?

En waarom bleef in het Berenschot-rapport het hoofd van Toezicht en Handhaving Bebouwde Kom drs. J. Kleijwegt buiten schot, die verantwoordelijk was voor het feit dat de lasten onder dwangsom zonder voorafgaand onderzoek waren opgelegd, het begin van slepende procedures?

Waarom werd het leidinggeven, of liever het ontbreken van adequaat leidinggeven niet in het rapport belicht? Het feit dat leidinggevenden bij de gemeente Utrecht verantwoordelijk zijn voor besluiten maar niet altijd de opleiding en de vakkennis hebben om die besluiten zelf goed te begrijpen. [7]

Waarom was Kleijwegt, destijds hoofd van Handhaving Bebouwde Kom niet zelf bij de rechtbank en de Raad van State aanwezig om de bestreden besluiten die zij zelf ondertekende te verdedigen? Beslissingen worden bij de gemeente Utrecht laag in de organisatie genomen, schrijft Berenschot op p.10. Maar waar zijn die leidinggevenden dan voor? 

Wordt vervolgd.

      

[1] Zie Beantwoording SV 2022 nr 140 over “Het verkwanselen van bijna 1 miljoen euro door het missen van fatalen termijnen”

[2] Eindrapport Berenschot Evaluatie handhavingsdossier binnenstad (openbare versie_geredigeerd)

[3] RTV Utrecht (9 mei 2023)

[4] Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland (februari 2024)

[5] ERB schrijft op 25 september 2020 aan de gemeente: “De gemeente Utrecht heeft de stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw verzocht haar te ondersteunen bij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 maart 2020, zaaknummer UTR 19/2693 WABOA VI82”.

[6] ERB was er kennelijk niet van op de hoogte dat de gewelfde doorgangen onder de straat ooit werden gemaakt om de kelders onder de panden bereikbaar te maken vanaf de gracht.

[7] Voor zover uit openbare bronnen valt na te gaan studeerde Jennemieke Kleijwegt Engels aan de VU in Amsterdam. Uit niets blijkt dat zij ook bestuursrecht of bouwkundige studeerde, wat voor een hoofd Handhaving Bebouwde Kom toch erg voor de hand zou liggen (bron)