Hoe beleven we Utrecht? In een serie interviews praat Louis Engelman met inwoners over hun stad. Dit keer met Jan van Piekeren.

Je zou de Utrechtse schrijver/dichter/zanger Jan van Piekeren een ‘type’ kunnen noemen of een ‘karakter’. Hoe dan ook is zijn eigenheid onmiskenbaar. Met zijn ruige bakkebaarden, zijn rasperige stemgeluid en een lach die z’n hele gezicht meeneemt in een wilde beweging waarin bravoure en verlegenheid met elkaar om voorrang lijken te strijden.

Al bijna twintig jaar treedt hij op met zijn band. Sinds 2009 in de huidige samenstelling. Altijd Nederlandstalig en met een focus op Utrecht. Hij bedacht samen met zijn maatje van het eerste uur, Johan Fransen, het begrip Utregticana. Een muzikale zoektocht die al zes seizoenen elke laatste vrijdag van de maand is te beluisteren in De Kargadoor.

Hij grijnst breed als ik hem vraag: Je zingt wel: ‘Ik kom uit Utereg’, maar is dat wel zo?

‘Nee, nee, maar nou …. Eigenlijk wel. Ik ben import. Tot mijn twaalfde jaar heb ik in Duitsland gewoond. Mijn vader was daar beroepsmilitair bij de luchtmacht.
In 1976 zijn we in IJsselstein gaan wonen. Maar door mijn creatieve belangstelling werd ik al snel door Utrecht aangetrokken. Vanaf 1997 ben ik er anti-kraak gaan wonen. En hier gewoon blijven hangen.

Utrecht is mijn stad geworden. Hier heb ik mijn pubertijd doorgemaakt, ben ik op m’n bek gegaan en heb ik m’n lesjes geleerd. Hier ken ik de weg. Als je de stad in fietst dan zwaai je omdat je mensen kent, ondanks dat het nu snel heel groot aan het worden is.

Wat fascineert jou zo aan Utrecht?

‘De humor, de no-nonsens. Het wordt Utrechters altijd verweten dat ze een soort stug zijn. Daar ben ik het helemaal niet mee eens.
Daarbij is de stad groot genoeg om een beetje anoniem je ding te doen, maar klein genoeg om mensen te kennen en gekend te worden. En inmiddels is het nu ook de plek waar je alweer het eerste rondje vrienden hebt weggebracht. Hier ligt mijn bezieling. Er zijn hier zoveel dingen al gebeurd.
Bij wijze van spreken zit de emotie ook in de gebouwen. Omdat je er zelf getrouwd bent. Of omdat je een uitvaart hebt gehad bij De Parel van Zuilen, of omdat nog hebt gespeeld in het oude Tivoli. Daar liggen je herinneringen.’

Je hebt verschillende songs geschreven waarin Utrecht een rol speelt. Wat wil je daarmee tot uitdrukking brengen?

‘Ik vind het al jaren heel gek dat je over Utrecht twee liedjes kan zingen en dat ze daarna met z’n allen op de Jordaan overgaan. Ons collectieve muzikale bewustzijn is in Utrecht niet zo groot. Er zijn zat mooie liedjes over gemaakt. En de twee die iedereen kent zijn al een halve eeuw oud.’

Dus?

Muziek verbindt. En ik vind dat een stad als Utrecht – zeker als je 900 jaar bent – het verdient dat we er een uur over kunnen zingen. Ook al zijn we nog zo verschillend. Dit is de stad die ons samenbrengt. Hier wonen we, en hier moeten we het met z’n allen doen.

Je wilt dat na Rijk de Gooijer (Als ik boven op de Dom kom) en Herman Berkien (Utereg Me Stadje) het lied ‘Ik kom uit Utereg’ een derde lijflied van de stad wordt?

‘Ja, dat probeer ik. Het is aan de mensen of die vinden dat mijn lied in dat rijtje thuishoort. Maar het is ook een oproep aan anderen. Ik weet zeker dat meer Utrechtse singer-songwriters liedjes hebben geschreven over de stad. Ik doe een oproep om er een mooi repertoire van te maken. Zodat we gewoon lekker met z’n allen een uur over Utrecht kunnen zingen.’

Dat is belangrijk?

Ja zeker. Omdat de stad het verdient. En haar inwoners, in welke wijk ze ook wonen. Utrecht groeit zo hard, dan moeten we er wel voor zorgen dat we als stad elkaar niet kwijt raken. Dan blijkt muziek een hele mooie veilige verbinding.’

Je brengt een ode aan de Voorstraat. Is die er beter op geworden?

‘Absoluut. Je ziet hier ook weinig leegstand. Dat betekent dat de huren werden afgesloten voordat de hoofdprijs in de binnenstad betaald moest worden. Die waren hier nog schappelijk. Daarom heb je er nu zo’n geweldige diversiteit. Er zitten advocatenkantoren boven de winkelpanden, maar er zijn ook kleine ateliers en creatieve spots in het alternatieve circuit. Ook het ACU is gewoon nog een stukje autonoom.
Je hebt dit soort creatieve low-budget vrijplaatsen hard nodig, zoals achter de Cartesiusweg. Daar gebeurt het. De musicus, de beeldende kunstenaar, de vormgever, ze komen elkaar daar tegen en beginnen samen projecten.’

Dat voegt iets toe aan het DNA van Utrecht?

‘Zeker weten. Dat wordt zwaar onderschat. We zoeken toch juist die ontmoetingsplekken? Waar verschillende wereldjes voor hetzelfde komen? Ik vind dat zelf nog steeds het leukste aan live muziek maken, zoals in de Kargadoor. Daar raken mensen bij de borrel met elkaar in gesprek, ontmoeten ze elkaar. Dat vind ik mooi.

Waar voel jij je het gelukkigst?

‘Thuis natuurlijk. Maar ook als ik op zaterdag niks te doen heb, om dan om een uur of twaalf de stad in de lopen en ergens met koffie op een terrasje de krant te lezen en alles langs me heen te laten gaan. Ja, dat vind ik echt Utrecht.’

Niet met een biertje?

‘Nee, ik ben meer van het onkruid. Een mens moet keuzes maken in z’n leven. Alcohol doe ik al vijfentwintig jaar niet. Ik zing er alleen nog over.’

Utrecht heeft 900 jaar stadsrechten en viert dat. Wat betekent dat voor jou?

‘Ik wil wel onderdeel worden van een hele mooie zomer. Er is geld ter beschikking gesteld voor ‘de stad zonder muren’ en voor verbinding. Ik ben al bezig met een project voor stadsmuzikanten. Het is een talentenjacht waarin ze op zoek gaan naar het beste zangtalent van Utrecht. Ik ben gevraagd om dat te presenteren. We blijven dit keer dus lekker in het stadje.’

In je teksten ben je ook wel kritisch op de stad. In ‘Laag over laag’ zing je over buurten die verdwijnen en nieuwe wijken die herrijzen, steeds verder van de ziel vandaan.

‘Dat is letterlijk zo. Je kan haast tot Harmelen fietsen om het bordje ‘U verlaat Utrecht’ tegen te komen. Maar het geldt nu ook voor de Croeselaan. Daar worden woningen afgebroken waar mensen jarenlang zijn langsgelopen en er een gevoel bij hebben. Het gaat om de dingen die je kent. Die horen bij je identiteit, maar ze verdwijnen. Ik vind het leuk daarover te schrijven, omdat het zowel letterlijk als figuurlijk je ziel verliezen inhoudt.’

In Groet uit Utrecht aan zee zegt je dat het klimaat het van het graaien verliest.

‘Kijk, ik ben gewoon een ouderwetse linkse jongen, weet je wel. Iemand die zijn best doet om zijn humor te houden en niet verbitterd te raken. Want nu ik zelf in de herfst van mijn leven zit weet je dat veranderingen zo gruwelijk lang duren dat je bijna de moed zou verliezen.
Je ziet dat een groot deel van de bevolking wordt vergeten. Daar word ik boos om. Daarom schrijf ik ook voor de Daklozenkrant en treden we met de Kerst voor ze op. Ik heb zelf aan den lijve meegemaakt, dat als je een beetje pech in je leven hebt en je twee verkeerde beslissingen neemt, je gewoon de klos bent. Neem die hele toeslagenaffaire, dat is toch te gek voor woorden.’

Je verpakt je boodschap in liedjes en columns op je website in een ironische overjas. Waarom? Neem je jezelf niet helemaal serieus?

‘Nee dat niet. Maar ik hou van zelfspot. Niet met het vingertje wijzen. En als ik mezelf als lijdend voorwerp gebruik, dan kan het publiek zich er mee identificeren. Zonder dat ik mensen wegzet. Ik heb wel ideeën over zaken, maar ik ben natuurlijk net zo’n sukkel als de rest. Maak je niet groter dan je bent. Dat is ook wel Utrechts. En daarom houd ik zo van deze stad.’