Struikelstenen erbij in Oudwijk en De Meern
Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2026 17:19
Door Jim Terlingen - Vandaag waren in onze gemeente op twee locaties struikelsteenplaatsingen.
Voor Heijcopperkade 5-6 in De Meern ging het om een steen voor verzetsman Cornelis Hendrik (Kees) van Veen. Kees (geboren in Utrecht in 1889) overleefde de oorlog en overleed in 1959. Struikelstenen kunnen voor álle vervolgden van het naziregime aangevraagd worden, ook voor overlevenden.
Boer Kees van Veen ving in zijn woning een groep van negen joodse onderduikers op. Op 23 september 1942 werden ze hier allemaal gepakt door een eenheid van de Utrechtse politie, de zogenaamde jodenploeg. Die had een tip gekregen. Slechts één joodse onderduiker zou de kampen overleven.
Onderduikgever Kees van Veen werd ook opgepakt, in kamp Vught vastgezet, maar na negen maanden - ernstig verzwakt - vrijgelaten door toedoen van zijn zoon Arie. Arie maakte er gebruik van dat hij eerder een wit voetje had gehaald bij de bezetter. Na zijn vrijlating bood Kees weer onderdak aan mensen, dit keer zij die wilden ontkomen aan de Arbeitseinsatz.
Er waren vanmiddag onder meer toespraken van historicus Arnold van Dijk en buurtbewoner Henk van Oostrum. Deze laatste heeft Kees van Veen gekend. Een kleinzoon van Kees, die exact dezelfde voornamen en roepnaam heeft, woont nog steeds in dit huis. Hij heeft het initiatief genomen voor de struikelsteen.



In Utrecht-Oost werden voor het adres Oudwijk 43 twee steentjes geplaatst voor joodse Utrechters: Fred Meijers (1902-1943) en voor Rebecca Bing (1877-1943).
De huidige bewoners, Noëlle en Daan, namen het initiatief voor deze steentjes. Dankzij historisch onderzoeker Theo Visser was er ook een kleinzoon van Fred aanwezig, samen met zijn vrouw en zoon.
Deze kleinzoon, Michael Frederik Meijers, had een foto van Fred bij zich én - heel bijzonder - een kopie van een briefje dat Fred schreef toen hij in Auschwitz was. Het originele briefje - veel kleiner in formaat - vouwde Fred om een steen en gooide hij over de hekken van het kamp. Het is een ontzettend lieve brief aan zijn twee zoons, die beiden de oorlog overleefd hebben.
De brief begint alsvolgt:
“Mijn liefste mannen. Wanneer jullie dit ontvangen is pappie bij onze Lieve Heer en misschien iis hij, terwijl tante Henny nu bij je zit, nu onzichtbaar om je heen.
Mijn lievelingen, ik had gehoopt jullie te zien opgroeien en jullie te zien opgroeien en jullie op je levenspad te kunnen helpen."
En eindigt met:
"Wees niet verdrietig over over pappie, want hij is bij God en hoopt jullie vanaf de hemel uit een beetje te kunnen leiden. Groet mammie en oom Kees van me! Jullie zo innig liëfhebbende pappie."

Ook schreef hij in het concentratiekamp op een papiertje vier dichtregels waarin hij de Amerikaanse dichteres Ella Wheeler Wilcox parafraseert (het is niet precies zoals zij het schreef in 1892):
It is easy enough to be happy
When life flows by with a song,
But the man worthwhile
Is the man who can smile,
When everything goes dead wrong.
Onderstaande korte biografie over Meijers is geschreven door Theo Visser:
Frederik Max Theodor Meijers werd op 19 oktober 1902 aan de Oudegracht Weerdzijde 155bis geboren als joodse zoon van Ida Levij en koopman/fabrikant Salomon Meijers. In 1930 huwde hij Bertha Kätie (“Bep’) van Laar waarna het paar z’n intrek nam in Prins Henriklaan 77 (nu 91). Fred was mededirecteur in de fietsonderdelenfabriek Hopmi van zijn schoonvader en vennoot in het reklamebureau Praktikum van zijn vader. Met slimme administratieve trucs probeerde hij te voorkomen dat beide ondernemingen door de Duitsers geconfisceerd zouden worden.
Om hun beide zoons,,de joodse jongetjes Willem en Joost te beschermen, scheidden Fred en Bep in 1940 waarna Frederik op kamers ging wonen op Ouwijk 43. In 1941 vertrok hij naar Rotterdam om daar leraar te worden aan de Joodse ambachtsshool. Om aan ‘tewerkstelling in Duitsland te ontkomen (het Duitse misleidendee eufemisme voor deportatie) dook hij onder, maar in januari ’42 werd hij gearresteerd door de groep jodenjagers van de Rotterdamse politie, overgedragen aan de SD en gevangen gezet een cel van politiebureau Haagse Veer. Twee weken later is hij met 36 andere ‘straffälligen Juden’ op transport gesteld naar Westerbork. Na vier dagen daar opgesloten te zijn geweest in een strafbarak is Frederik Meijers gedeporteerd naar Auschwitz en daar vermoord.

Van de joodse Rebecca waren geen nazaten aanwezig.
Rebecca Bing werd op 8 september 1877 als joodse dochter van Rosetta Spiero en politieman Eliazar Bing in Den Haag geboren. Reeds op 13-jarige leeftijd was zij de oudste van een gezin met 5 kinderen, wat haar zorgzame kwaliteiten zal hebben gestimuleerd. Na enige tijd in Amsterdam als verpleegster gewerkt te hebben, nam ze in 1906 intrek in het joodse gezin van Salomon Jacobus de Beer in de Keistraat in Utrecht.
De Beer was een welgestelde middenstander met een flink huishouden met vier dienstboden. Rebecca kwam er in dienst als 'juffrouw van gezelschap'. Nadat de vrouw des huizes was overleden, ging dochter Jeanette Louise in 1929 zelfstandig wonen op Oudwijk 43. Rebecca was zo goed in de smaak gevallen dat mevrouw haar meenam en ze er dienst ging doen in de gecombineerde functie van geschapszelschapsdame en huishoudster.
In 1942 kregen de joden in Utrecht een oproep om zich te melden voor deportatie naar Amsterdam; juffrouw de Beer besloot dit niet af te wachten door zelf maar intrek te nemen in Amsterdam-zuid bij een verre neef. Opnieuw mocht Rebecca mee om juffrouw De Beer gezelschap te houden. Beiden werden daar in 1943 gearresteerd.
Jeanette Louise kwam via Barneveld in Westerbork terecht en van daar in kamp Theresiënstadt, waar zij het einde van de oorlog heeft meegemaakt. In Utrecht overleed zij in 1949 op 72-jarige leeftijd. Haar trouwe huishoudster Rebecca had geen geluk. Na een week gevangenschap in Westerbork werd zij in mei 1943 naar Sobibor gedeporteerd waar zij al heel snel na aankomst werd vermoord.
(tekst geschreven door Theo Visser)

> Hier eerdere verslagen van struikelsteenplaatsingen in Utrecht