Utrechtse toe(n)standen is de rubriek van Jos Bours over de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw.

Carla: Ik wilde graag doorleren. Maar daar was geen sprake van. Ik had er wel de capaciteiten voor, maar het geld was er gewoon niet. Klaar.  Dus ja… ik vind het dus héél belangrijk dat mijn kinderen wél doorleren want zonder kom je nergens.

Het is 1996. Met ouders maken we een stuk over hun opvoedingsproblemen. Voordat ik de tekst ga schrijven, praten en improviseren we met hen. Hoe zijn ze zelf opgevoed? En wat betekent dat voor de opvoeding van hun eigen kinderen?

Deze keer gaat het over kansen geven die je zelf nooit kreeg en de kansen die je eigen kinderen met beide handen zouden moeten aangrijpen. We horen verhalen met veel verschillen, maar ook met verrassend veel overeenkomsten.

Wil. Foto: Rob Huibers

Wil: Mijn zoon vindt het veel leuker om geld te verdienen dan om te leren. Hij verdomt het gewoon. Het is alleen maar meiden en lang leve de lol! Op de lagere school kon hij niet goed rekenen. Ik ernaartoe. “Kunnen jullie daar wat extra's aan doen?” Die hele manier van leren is anders. Ze trekken allemaal lijntjes erboven. Dat mochten wij niet, dan kreeg je een tik op je vingers, want je mocht geen lijnen trekken. Dan was je niet netjes. Je mocht ook geen vlekken maken. Ik zeg: ik ken het hem niet bijbrengen. "Ja, we hebben geen tijd!" Ik zeg: waarom zitten jullie hier dan? "Ja, we hebben Turkse en Marokkaanse kinderen en dan kunnen we hém er niet bij hebben, want die kunnen helemaal niks en jij kunt hem zelf wel wat leren".

Halil: Ik moest alles zelf uitzoeken. Mijn ouders hebben lagere school. Ze spraken geen Nederlands. Ik heb zelf MAVO gedaan. En er waren woorden bijvoorbeeld bij wiskunde, die ik niet in het Turks kon vertalen. Mijn moeder zei: doe je best maar. Als mijn zusje en ik huiswerk maakten, bracht ze ons een bakkie thee. Op die manier heeft ze ons gesteund. Ze wou dat we doorstu­deerden. Zij zei: wij zijn hier als arbeider gekomen, jullie moeten hogerop komen. Ze wilde dat ik dokter werd. Veel Turkse ouders willen dat hun kind dokter wordt of advo­caat. Dat doen ze omdat het een internationale baan is. Of je de taal nu goed kan of niet goed kan, je kan naar Turkije teruggaan en daar een goede baan hebben. Ik wil ook terug, maar pas als mijn dochter klaar is met leren, tot zolang ze me nodig heeft. Want ik maak uren huiswerk met haar. 

Talât: Ik voed mijn zoontje heel anders op dan hoe ik zelf ben opgevoed. Ik zal hem wél steunen. Ik laat mijn kind voelen dat hij bijzonder is. Ik haal hem op van school en dan houd ik hem strak tegen me aan: ik laat zien dat ik trots op hem ben. En dan zie je hem glunderen: mijn vader haalt mij van school, mijn vader is er wél!

Zijn taal zal nog beter zijn. Hij zal het redden hier in Nederland. Later kan hij werken met onze mensen. Hij spreekt twee talen. Hij kent de gewoontes. Hij kan werk krijgen in de toeristenbran­che, als tolk, advo­caat, makelaar of in het maatschappelijk werk. Daar ben ik niet bang voor.

Talât in concentratie vlak voor de première van “Tranen in de Regen”. Foto: archief

Maar… als ie op zijn zestiende zegt dat hij "gewoon" geen zin meer heeft om te leren? Dan zal ik hem bij de arm pakken en langs bedrij­ven rijden waar jongens van zijn leeftijd werken die niet geleerd hebben en daarom dat werk doen. En als hij dat leuk vindt, prima, dan laat ik hem dat doen. Maar dan zal hij zijn hele leven die woorden van mij niet vergeten.

Ja, ik geef ze alles en alles, want je wilt het beste voor ze. Daarmee bouw ik natuurlijk de teleurstelling al in. Dat is zo. Je wilt het zó graag anders doen… Maar je blijft altijd onzeker of je het wel goed doet Ik heb zelfs een keer aan mijn zoon gevraagd of hij mij een goede pappa vond…”

"Gewoon geen zin meer heeft om te leren”, dat is iets waarop we volgende week doorgaan.

-

 - Er is een boek met een uitgebreide beschrijving van het hele werkproces: Tranen in de regen, hier en daar nog via internet verkrijgbaar.