Utrechtse toe(n)standen is de rubriek van Jos Bours over de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw.

In de vorige column vertelde ik over onze uitnodiging aan bewoners om een stuk te maken over ‘het verdriet van de volkswijk’. We vroegen hun om angst en verdriet over het leven in hun wijk met ons te delen en zich niet in te houden.

Dat was niet aan dovemans oren gezegd. Ze begonnen meteen hun ervaringen, woede en angst te ventileren. Als een vulkaan die uitbarst.

“Moet je eens naast mij horen- nou, die mogen ze van mij op een boot zetten, daag! Zes

kinderen, dat vind ik normaal niet erg, maar als je ziet en hoort hoe ze ze afranselt, ze

slaat ze bijna dood. Ze praat geen Nederlands, ze mag niet naar buiten van hem. Gas,

licht en water, daar doe ík allemaal voor open. De jongste van haar was door een bij in

haar mond gestoken, zij mag de deur niet uit dus dat kind werd naar mij toe geduwd: ga

maar naar haar. Dus toen ben ik gauw met dat kind naar het ziekenhuis gelopen. Je laat

zo’n kind toch niet alléén gaan.”

Deze ervaring was van de enige vrouw die daadwerkelijk met buitenlanders te maken had. De anderen projecteerden alle woede, angst en verdriet op een algemenere manier:

- Ze nemen de overhand, wat ik je smoes.

- Je zal straks maar de enige zijn die nog Hollands praat.

- Je wordt allochtoon in het eigen wijk!

Zo ging het de hele eerste bijeenkomst door. Wij hadden niet anders verwacht. We kenden die verhalen ook uit andere toneelgroepen.

Aan het einde van de bijeenkomst vroegen wij hun of ze voor de komende weken een dagboek wilden bijhouden met aantekeningen van wat er in hun eigen leven en in het openbare leven gebeurt en wat hun opvalt. Die dagboeken zouden we dan aan het begin van elke bijeenkomst aan elkaar voorlezen.

Scènebeeld uit Het verdriet van de volkswijk. 

We namen hun woede serieus. We praatten en praatten maandenlang en ontweken geen onderwerp.

Na een paar weken werden de gesprekken anders. Dat kwam door de dagboekverslagen. Daardoor ging het niet over oordelen, maar over ervaringen. En –merkwaardig, maar niet onbegrijpelijk- het ging steeds minder over buitenlanders en steeds meer over wat er in hun eigen levens misging.

S. was in verwachting en vroeg zich af in wat voor wereld haar kind geboren zou worden.

T. studeerde aan de Sociale Academie en ergerde zich kapot aan de manier waarop daar over blanke buurtbewoners werd gepraat.

R. was op haar werk ontslagen en zag haar wereld instorten.

De kinderen van G. kregen problemen met hun relaties, iets dat grote invloed had op het leven van hun  moeder.

De zoon van K.bleek –hilarisch!- de scooter van de zoon van T. te hebben gestolen.

De zoon van een wanhopige M. dreigde helemaal op het verkeerde pad te gaan.

En zo kwam ieders werkelijke verdriet op een openhartige manier ter sprake. Hier was niet meer een groep aan het woord met harde, discriminerende taal. Er werden acht individuen zichtbaar met acht verschillende ervaringen, houdingen en opvattingen. Ze gingen op een fantastische manier met elkaar in gesprek over het generatieconflict, het groeiend gebrek aan saamhorigheid en solidariteit, de agressie en snel toenemende criminaliteit in de wijk, de gebrekkige opvoeding en de gigantische schulden. Ze luisterden, waren nieuwsgierig, deelden hun verdriet en probeerden mee te denken over oplossingen.

Scènebeeld uit Het verdriet van de volkswijk. 

En dat had invloed. Stemden in maart 1994 nog drie van de acht spelers op de Centrum Democraten van Janmaat, bij de landelijke verkiezingen twee maanden later waren dat er nul. 

Grappig hoogtepunt was voor mij wat R. op een avond vertelde:

“Wat ik nou vorige week meemaakte… De trombosedienst houdt hier in Sterrenzicht elke week spreekuur en dan is het altijd stervensdruk. Komt er zo’n oud omaatje binnen: alle plaatsen bezet. Staat een buitenlandse man voor haar op: “Gaat u hier maar zitten, mevrouw”. Oma gaat zitten, draait zich naar haar buurvrouw en zegt: “Het is toch wat met die buitenlanders, waor?”

Zo legden we de basis voor een mooi toneelstuk dat we samen maakten. We vulden de groep aan met Marokkaanse Latifa, die na een sprankelende entree in no time in de groep werd opgenomen alsof ze al jaren bij iedereen over de vloer kwam. En met super-accordeonist Hans Loermans. Aldus presenteerden we een eerlijke emotionele voorstelling waarin niets mooier gemaakt werd dan het was.

 

De lokale Utrechtse televisie maakte in 1996 een reportage over het stuk. Klik op deze link om te kijken. https://youtu.be/jb9yCsXkxng