Door Jim Terlingen - Onlangs is de zesde herziene herdruk verschenen van ‘De Vollekstaol van de stad Uterech’. Het boekje, gebaseerd op het werk van de in 2011 overleden oud-journalist Bernard Martens van Vliet, bevat ruim 2300 lemma’s.

Martens van Vliet stelde dit woordenboek voor het eerst in 1996 samen, na jarenlang onderzoek. Later kwamen er onder zijn leiding herzieningen. De vijfde druk verscheen in 2008. Een opmerkelijke keuze van Martens van Vliet was toen het weglaten van het woord ‘dakhaos’. Was geen specifiek Utrechts woord, volgens hem.

Koos Marsman (Ton van den Berg) en René van Maarsseveen, twee goede collega's op deze Nieuws030-site, namen het initiatief tot deze zesde druk. Lees hier meer. Ze baseerden zich op de vijfde en op de aantekeningen die Martens van Vliet achterliet die bedoeld waren voor een volgende druk. Ze maakten zijn werk af als een eerbetoon. Dat is een heel mooi gebaar.

Er is, naar ik verneem, veel interesse voor het nieuwe boekje. Hartstikke leuk. En ook ik kocht er eentje. Het ziet er prachtig uit en ook zeer detailleerd. Complimenten voor de makers.

Nu de kritiek.

Dakhaos
Over de taalkundige inhoud moet ik zwijgen. Ik weet er simpelweg te weinig van. Nou, één dingetje dan toch, voordat ik doorga op wat ik eigenlijk wil vertellen. Wat raar dat het woord ‘dakhaos’ niet is teruggekomen. Het is nu 2021 en het woord werd in 2018 derde in de verkiezing van 'het ultieme Utregse woord', achter ‘jochie’ (1) en ’gladiool (gladdioal)’ (2).

Het werk van Martens van Vliet is toch niet zo heilig dat voortschrijdend inzicht wordt genegeerd? De afbeelding op de voorkant is dit verband wel bijzonder, want welk dier staat erop met een gladiool? Juist.

Ut(e)rechtenaor
Dan mijn belangrijkste punt, dat eigenlijk ook handelt over 'voortschrijdend inzicht'.

Op pagina 138 in deze zesde druk lees ik bij het lemma ‘Ut(e)rechtenaor’:

In januari 1937 droeg de niet uit de stad afkomstige hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, Van Heuven Goedhart, de redacteuren op in het vervolg het gemaakte, preutse ‘Utrechter’ in plaats van ‘Utrechtenaar’ voor ‘inwoner van de stad Utrecht’ te schrijven.

Zie ik het goed? Ik heb deze zin, die ook in eerdere drukken van ‘De Vollekstoal’ voorkwam, toch in 2017 naar het rijk der fabelen verwezen? Dat deed ik in dit Nieuws030-artikel en in een ingezonden brief in het AD Utrechts Nieuwsblad. Beetje gek dat hij in 2021 nog steeds er als 'waar' in staat.

Ik zal hier nog maar eens uitleggen waarom de zin niet waar kán zijn. 

Stel dat de hoofdredacteur van het UN inderdaad in 1937 opdracht heeft gegeven om het woord ‘Utrechtenaar’ te vervangen, dan móét je dit kunnen waarnemen in de kranten uit die tijd. 

En dus ben ik simpelweg woorden gaan tellen. Het Utrechts Archief heeft de oude Utrechts Nieuwsbladen online beschikbaar, dus dat was niet moeilijk. 

In de grafiek hieronder is te zien dat de woorden ‘Utrechtenaar’ en ‘Utrechtenaren’ tot en met eind 1939 veel meer worden gebruikt dan ‘Utrechter’ en ‘Utrechters’. De blauwe lijn zwabbert wat, maar in 1938 is het aantal voorkomens zelfs hoger dan in 1937.

Niet waar dus.

Eén mogelijke verklaring die de zin van Martens van Vliet intact laat, is dat het plan van de hoofdredacteur het daarna op de redactie niet haalde. Maar waarom zou je de zin dan opschrijven in ‘De Vollekstaol’?

Ik heb wel een goed onderbouwd idee wanneer er een besluit wél is genomen. Want als je gaat kijken wanneer de woorden ‘Utrechter’ en ‘Utrechters’ het gaan winnen, moet je ná de oorlog kijken. Na tien maanden, op 2 maart 1946, verscheen toen weer de eerste editie van het Utrechts Nieuwsblad (met 4 pagina’s).

Zie onderstaand de tweede grafiek.

Wat is hierin te zien? Om te beginnen: in het hele jaar 1946 worden ‘Utrechtenaar’ en ‘Utrechtenaren’ meer gebruikt (105 keer) dan Utrechter’ en ‘Utrechters’ (38 keer).

En dáárna komt de omkering. Het ligt dus heel erg voor de hand om te concluderen dat ergens in 1947-1948 de discussie op gang kwam (en misschien ook wel het besluit) om ‘Utrechtenaar’ en ‘Utrechtenaren’ niet meer in de krant te gebruiken.

Deze aanname wordt bevestigd door auteur Jan Reeskamp. Op 1 juli 1966 wordt hij het Utrechts Nieuwsblad geïnterviewd. Ook hij verwijst naar een periode na de oorlog.

Interview uit 1-7-1966 in het UN met schrijver Reeskamp.

Nog een aanwijzing is te halen uit een ander naoorlogs artikel uit het UN. Op 26 november 1948 verwijst de nieuwe burgemeester De Ranitz naar een discussie over Utrechter-Utrechtenaar. Zie de laatste alinea.

Utrechts Nieuwsblad, 26-11-1948

Wat ik hierboven aandraag, zijn feiten met bewijsbare bronvermeldingen en die wijzen maar één kant op. Van Martens van Vliet lees ik, met alle respect, alleen een bewering. Die zin had daarom, ondanks het eerbetoon, in deze nieuwe zesde druk wel verwijderd mogen worden.

Laat die zevende maar gauw komen. 

   
Ps. De laatste tijd moet ik vaak denken aan wat mijn Utrechtse vader Frank Terlingen (1938-2007) een keer tegen me zei: "Jim, gelijk hebben is niet altijd gelijk krijgen." Ik geloof toch dat ik het blijf proberen, pa.