Door Ton van den Berg - De verzetsstrijder Dé van der Kamp (1913-1999) was de compagniescommandant en opdrachtgever van de 12 leden van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) die op 7 mei 1945 in een vuurgevecht bij het Rosarium (Oudwijk) terecht kwamen. 10 van hen verloren daarbij het leven.

De naam van Van der Kamp komt in het boek Utrecht in Verzet geheel niet voor. De schrijfster van dat standaardwerk, T. Spaans-van der Bijl, zegt daarin (uitgave 2005) dat niet te achterhalen was 'wie het team heeft samengesteld en te vroeg de straat op heeft gestuurd met onder meer de opdracht 'Duitsers te ontwapenen''.

Er is veel geschreven en gesproken over de schietpartij die plaatsvond op het moment dat, nu 74 jaar geleden, een paar honderd meter verderop de Engelse verkenningseenheid De Polarbears als bevrijders op de Biltstraat in Utrecht werden onthaald. Maar de naam Van der Kamp wordt nooit genoemd.

Overigens is dat niet omdat hij zich onzichtbaar zou hebben gemaakt, maar zijn verklaring uit 1945 over wat er toen is gebeurd is niet opgemerkt door Spaans-van der Bijl en andere latere onderzoekers. De betrokkenheid van de verzetsman raakte zo in de vergetelheid.

Identiteitsbewijs van Van der Kamp in 1945. Foto: familearchief Van der Kamp

Het ging in de publicaties er vooral over wie het eerste schot had gelost: een BS'er of een Duitser? In het verlengde hiervan wordt ook vaak de vraag gesteld wat de opdracht was aan de 12 mannen, want schrijft Spaans-van der Bijl: 'ze werden het slachtoffer van een opdrachtgever die hen met onjuiste instructies op pad stuurde'.

Dat de naam van Van der Kamp nu opduikt, komt door Coen van der Kamp, de zoon van de verzetsman. Onlangs doorzocht Coen de archiefdozen die zijn vader achterliet na diens overlijden in 1999: "Tot mijn verrassing vond ik er documenten die betrekking hebben op het incident van 7 mei 1945. Mijn vader zou als compagniescommandant C.C. IV van de BS de instructies gegeven hebben voor deze operatie, die erop gericht was om een aantal NSB'ers (leden Nationaal-Socialistische Beweging, red.) te arresteren."

Volgens Coen heeft zijn vader niet veel gesproken over wat er gebeurde bij het Rosarium. "Wat ik wel weet is dat het hem altijd heel erg dwars heeft gezeten en er veel slapeloze nachten van heeft gehad, maar erover praten deed hij vrijwel niet."

In alle documentaires en publicaties is Van der Kamp niet aan het woord gekomen. Uit de stukken die zijn zoon nu boven water heeft gehaald blijkt dat hij in mei 1945 er, samen met een kwartierscommandant, er een rapport over heeft geschreven. Daarin verwijst Van der Kamp naar de chaotische dagen rond de bevrijding waarin de status van de Binnenlandse Strijdkrachten voor de ondercommandanten vaak onduidelijk was.

Instructie
Wat bijvoorbeeld onduidelijk was, was dat de geallieerden hadden bepaald dat het voor de Binnenlandse Strijdkrachten verboden was met wapens rond te lopen. Dat mocht pas nadat het Canadese bevrijdingsleger was binnengerukt. Die instructie liep via Prins Bernhard naar de BS, maar binnen die organisatie was niet iedereen het eens met dit bevel en werd het deels genegeerd. Niet alle kwartiercommandanten in Utrecht, laat staan hun ondergeschikten, waren hier dan ook van op de hoogte.

Van der Kamp schrijft in zijn rapportage van 17 mei 1945 dat de enige instructie die hij kende via zijn kwartiercommnandant, was dat BS'ers geen Duitsers mochten ontwapenen, maar deze wel moesten beschermen tegen eventuele boze burgers.

Tijdens een bespreking op 6 mei gaven de leden van de BS-eenheid van Van der Kamp aan dat er te weinig wapens waren en dat men bang was voor 'ernstig verzet' bij de te arresteren foute Nederlanders. Van der Kamp gaf toen het bevel om 'van afzonderlijke Duitsers de wapenen over te nemen'. Dit moest volgens de commandant 'niet gaan in de geest van 'Hande Hoch', doch met een rustig woord en een joviale schouderklop: Jij hebt geen wapen meer nodig, geef het ons'. Van der Kamp schrijft dat hij ook uitdrukkelijk heeft gezegd: 'Geen krijgsgevangenen maken'.

Misschien was het ook wel de bedoeling van het BS-team, dat onder leiding stond van student Hans Muus, om de paar Duitsers die zij op 7 mei 1945 rond 9.30 uur per ongeluk tegen het lijf liepen op de hoek van de Prins Bernhardlaan (nu Prinses Marijkelaan) en Koningslaan, naar hun wapens te vragen, maar het ging gepaard met het bevel 'Hande Hoch' en dat werd ook gezien door een circa 40-man sterke groep SS'ers die in de buurt van het Wilhelminapark klaarstond om op de fiets af te marcheren. Die zochten onmiddellijk dekking achter bomen en schoten op de BS'ers die daarna geen enkele kans meer hadden. Acht werden ter plekke gedood, twee anderen (waaronder Muus) overleden later aan hun verwondingen.

Eerste schot
Over wie het eerste schot loste, een BS'er of een Duitser, schrijft Van der Kamp niets. Dat zal altijd onduidelijk blijven. Ooggetuigen die enkele dagen later, op verzoek van Van der Kamp, een verklaring aflegden aan de advocaat F.P. van Ravenswaay komen met verschillende verhalen. De een zegt dat het de Duitsers waren en de ander weet zeker dat het de BS'ers waren. De enige twee overlevenden, Hans van Ameijde en Erich Buchman, zeggen in hun verklaring, opgetekend op 10 mei, dat het de Duitsers waren die in het Wilhelminapark dekking zochten.

Dat er altijd discussie over dat eerste schot blijft bestaan vindt zijn verklaring in het boek van T. Spaans- van der Bijl (zij overleed in 2014). De voormalige verzetsvrouw en historicus kwam in een herdruk in 2005 met het verhaal dat er bij Het Utrechts Archief een verklaring ligt van de echtgenote van de Utrechtse verzetsman Vlot, die zou haar verteld hebben dat iemand uit het arrestatieteam jaren later, uit schuldgevoel, bij hem was komen vertellen dat hij het was geweest die (per ongeluk?) had geschoten met zijn stengun. Een naam had Vlot niet genoemd maar dat moest dan Buchman of Van Ameijde zijn geweest.

Hans van Ameijde, met verbanddoek, in 1945 bij de begrafenis van de leden van het arrestatieteam die omkwamen. Foto: Het Utrechts Archief

Van die twee zou dan weer Van Ameijde de meest voordehand liggende zijn omdat van Buchman na 1945 geen spoor meer te vinden is geweest. De indruk was dat de Utrechtse journalist Pieter van de Vliet in 1990 met deze in Polen geboren verzetsstrijder heeft gesproken, maar in die publicatie in het Utrechts Nieuwsblad gaat het om de hierboven aangehaalde verklaring van 10 mei 1945.

Van de Vliet liet toen wel een hele passage uit de originele verklaring weg en wel dat Buchman vertelt dat hij zeker drie Duitsers heeft neergeschoten ("Die later door Moffen snel zijn opgeruimd..."). Dit detail is nooit in publicaties vermeld, waarschijnlijk omdat er nooit een andere bron is geweest die bevestigt dat er bij de schietpartij Duitsers gedood zijn. 

Ook van Buchman komt het verhaal dat 'een NSB-wijf vanuit het huis van Mussert voortdurend aanwijzingen gilde'. Dit detail is wel algemeen in publicaties opgenomen terwijl Buchman de enige bron was. (Vermeld moet worden dat Van Ameijde in zijn (korte) verklaring aan de advocaat op 10 mei 1945 het relaas van zijn teamgenoot op deze twee punten niet tegenspreekt.)

Wat Van Ameijde betreft, die heeft in openlijke verklaringen later, onder meer te horen op een geluidsband uit de jaren zestig, nooit gezegd dat hij het eerste schot loste. Wel heeft hij altijd gezegd zijn leven te danken aan de toen 17-jarige Pool Buchman die als deserteur van een Duitse SS-eenheid als een van de weinige in het arrestatieteam oorlogservaring had.

Verzetsstrijder
Terug naar Van der Kamp. Zijn zoon Coen vertelt dat zijn vader verzetsstrijder was in de oorlog. In de nalatenschap zijn ook diverse tekeningen opgedoken van Utrechtse locaties die opgeblazen zouden kunnen worden. Die plannen lijken nooit te zijn uitgevoerd.

Sabotageplan voor het opblazen van de spoorovergangen bij onder meer De Biltstraat. Foto: familiearchief

Van der Kamp was van beroep onderwijzer, waar hij les gaf in Utrecht tijdens de oorlogstijd weet zijn zoon, die in 1950 werd geboren in Putten, niet. Wel weet hij dat zijn vader als dienstplichtige heeft gevochten in Rotterdam in mei 1940 en daar veel maten heeft verloren. Ook maakte hij er het bombardement mee.

Van der Kamp is na de oorlog onderscheiden en benoemd tot reserve luitenant-kolonel voor zijn rol tijdens de gevechten op en rond de Maasbruggen in Rotterdam. Hij nam toen het bevel van zijn peloton over nadat een kapitein uit angst was gevlucht. Vanwege dit heldendom is hem nog een carriere als beroepssoldaat aangeboden, maar dat heeft hij geweigerd, aldus zijn zoon Coen.

28 februari 1951, Paleis op de Dam, D.C. van der Kamp ontvangt van koningin Juliana de militaire medaille in de orde van de bronzen leeuw, vanwege zijn inzet in mei 1940 bij de Maasbruggen in Rotterdam. Foto: familiearchief

Hoewel Van der Kamp niet graag sprak over de gewelddadigheden in de oorlog, was het verhaal over het dressoir wel heel bekend in de familie. Wonende op de Mr. Tripkade (toen nog Maartensdijk) had Van der Kamp, die als verzetsman de schuilnaam Van Reeswijk had, geoefend zich te verstoppen in het dressoir. Bij een inval van de Duitsers was hij in het kastje gaan zitten en nadat een soldaat zowel het rechter- als het middelste deurtje had geopend, liet hij de linker deur maar voor gesloten, en juist in dat vreselijk kleine compartimentje zat Van der Kamp verstopt.

Coen van der Kamp heeft alle originele verslagen, tekeningen en rapporten overgedragen aan het NIOD (Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocide studies) in Amsterdam. Volgens Coen werd daar enthousiast gereageerd omdat er ook materiaal tussen zit met berichten die tijdens de oorlog werden gebruikt. Het bewaren van dat soort berichten was toen levensgevaarlijk en werd daarom meestal vernietigd.

Voor een verslag van de schietpartij zelf, lees het artikel 'Rozen, kogels en handgranaten' van Jeroen Wielaert uit het boek Oorlogspad (2005) dat hij schreef op basis van onder meer gesprekken met getuigen en een interview met T. Spaans-van der Bijl.

Coen van der Kamp. Foto: Ton van den Berg