Recensie door: Jim Terlingen

Wat? Het boek ‘Joods Utrecht’ van Els Boon en Han Lettinck (Matrijs, 2022, 49,95 euro)

In een cijfer: 7.2

In woorden:

Ik heb ontzettend lang getwijfeld over de hoogte van het cijfer, want bij het lezen van dit boek switchte ik van bewondering naar teleurstelling (en weer terug). Een complicerende factor is dat ik sinds relatief kort een collega ben van de schrijfsters. Is het niet zo dat we elkaar binnen de historische wereld in Utrecht alleen maar plezieren? Maar goed, ik ben eruit. 

Heel veel maakt indruk in dit informatieve boek over Joods Utrecht door de eeuwen heen. Ten eerste, natuurlijk, het aantal pagina’s (652), de mooie boekuitgave, de lijst sponsors, de schrijver van het voorwoord (opperrabbijn Jacobs), het lange notenapparaat en het omvangrijke register.

Tel daar bovenop het cv van de schrijfsters, de reputatie van de uitgever en het feit dat het boek in april in ontvangst werd genomen door burgemeester Dijksma. Dan weet je: dit is een Boek.

Burgemeester Dijksma tijdens de boekpresentatie bij het Utrechts Archief op de Hamburgerstraat. Foto: Jim Terlingen

Boon en Lettinck tonen zich kenners van het joodse leven in Utrecht, ook op religieus gebied. De historici beschrijven in de eerste zeven hoofdstukken heel gedetailleerd alles wat er te vertellen is over joden in Utrecht tot aan de Tweede Wereldoorlog.

Om maar eens een greep te doen: de eerste vermelding van een joodse Utrechter in 1231, de nog steeds bestaande steeg Jodenrijtje en het verbod van joden om in onze stad te komen in 1444. Heel veel belangrijke joden door de eeuwen heen worden gedetailleerd benoemd.

Vanaf het ontstaan van de joodse gemeente in 1789 beschrijven zij ook alle bestuurlijke ontwikkelingen binnen die gemeente. Persoonlijk boeit dat laatste me niet enorm, maar het grondige eraan maakt zeker indruk.

De steeg het Jodenrijtje in 1925, toegankelijk vanaf de Oudegracht en de Bakkerstraat. Foto: J.W. Deetman/Utrechts Archief

Tweede Wereldoorlog

Mijn onderwerp, de Tweede Wereldoorlog in Utrecht, wordt in één groot hoofdstuk beschreven (het achtste, 121 pagina’s). Wat daarin van onschatbare waarde is, is de ruimte die Boon en Lettinck geven aan de persoonlijke verhalen van joodse Utrechters. Voor het eerst staan deze zó uitgebreid in een boek. Veel van deze verhalen staan ook in m'n tegelijkertijd verschenen boek de Joodse Raad van Utrecht, maar ik had er soms niet meer plaats voor dan in voetnoten. De ruimte die de dames geven, is veel passender. Daar ben ik blij mee.

Mijn onderwerp, de Joodse Raad van Utrecht, komt er in dit boek karig vanaf. Hoewel het natuurlijk een belangrijk onderdeel is geweest van de joodse geschiedenis in onze stad, wil ik daar toch mild over zijn. De schrijfsters hebben dit onderwerp bij mij gelaten en verwijzen daarvoor op p. 436 naar mijn onderzoek. 

Eén punt over dit onderwerp kan ik hier echter niet onbenoemd laten. Op p. 381 staat iets heel erg onwaarschijnlijks over mr. Alex de Haas in 1940. De man die later voorzitter van de Utrechtse Joodse Raad zal worden, is op dat moment nog kerkraadslid (bestuurslid van de Joodse Gemeente).

Vlak voor de bezetting reisde hij naar een neutraal Zuid-Amerikaans land waarvan hij het staatsburgerschap wist te bemachtigen. Met dit paspoort keerde hij terug in de Domstad, die inmiddels bezet was. Het kerkbestuur feliciteerde hem schriftelijk met de veilige terugkeer in het vaderland, die gezien de oorlogsomstandigheden uiteraard niet vanzelfsprekend was geweest.

Boon en Lettinck baseren zich hierbij op informatie die ze van familie De Haas hebben gekregen. Maar ze hadden toch beter moeten weten. Het idee dat iemand uit Utrecht in deze tijd even op en neer naar een Zuid-Amerikaans land gaat (en dus terugkeert na de bezetting), is ronduit sprookjesachtig.

Hoe zit het echt? De Haas was in 1940 als opgeroepen militair gestationeerd op de Grebbeberg. Na de Duitse inval geeft hij zich daar op de eerste dag van de Slag om de Grebbeberg over, op 11 mei. Hij wordt gevangen genomen en keert een maand later weer terug naar Utrecht. Dáármee feliciteerde het kerkbestuur hem. Ik verwijs de dames naar mijn boek. 

Via zijn contacten is De Haas daarna aan een paspoort gekomen van Ecuador. Dat deden meerdere joden tijdens de oorlog, want dit bood mogelijk bescherming. 

Opmerkelijk: op p. 410 staat NIET dat Joodse Raad-voorzitter Alex de Haas links op de foto te zien is. Ook opmerkelijk: verder wordt er geen foto getoond van deze man, die ook na de oorlog nog dominant was in de Joodse Gemeente.

Afbeeldingen

In Joods Utrecht staan veel bijzondere en niet eerder verschenen foto’s. De schrijfsters hebben daarbij onder meer veel gebruik gemaakt van familiearchieven.

Een zwak punt zijn daarbij echter de bijschriften. Bijna over elk exemplaar zou ik wel iets kunnen zeggen. Soms niet informatief genoeg (jaartallen die ontbreken, zonder duiding van personen) en meerdere keren fouten bevattende (verkeerde duiding van personen). Een voorbeeld van het laatste: Jo van Gelder en Jo Wijnberg worden een aantal keren verward. Op p. 209 bijvoorbeeld is het links Wijnberg en rechts Van Gelder (en niet andersom).

  

De foto van Wijnberg en Jo van Gelder op p. 209 met een verkeerd bijschrift.

Namenmonument

Natuurlijk wordt in dit boek ook melding gemaakt van het Utrechtse Namenmonument dat in 2015 voor het Spoorwegmuseum is geplaatst (p. 561). Dat gebeurt terecht met respectvolle woorden. Wat daarbij ontbreekt, is de vermelding dat minstens 85 gegevens op het monument niet juist zijn (namen, data, enzovoort). Er worden zelfs personen vermeld die de oorlog overleefd hebben (zie hier).

Dit is cruciale informatie. Boon en Lettinck zijn hiervan op de hoogte en melden hier niets over. Noppes. Ik vind dit voor wetenschappers laakbaar gedrag.

Initialen

Volgende onderwerp. Minder zwaarwegend, maar toch ook opvallend: in het personenregister staan af en toe personen zónder hun voornaam erbij. 

Het rijtje Herschels in het personenregister.

Een voorbeeld: 'Herschel, H.’ in het rijtje ‘Herschels’.

Wat blijkt? Op pagina 262 staat een tabelletje over de opkomst bij bestuursverkiezingen. Daarin valt op dat er in 1911 een hoge opkomst is van de stemgerechtigden. Boon en Lettinck merken dan op:

In 1911 werd een geheel nieuwe kandidaat voorgesteld: H. Herschel, misschien dat dit tot een grotere opkomst leidde. 

Meer niet; en vandaar de sobere vermelding in het persoonsregister. Zo’n zin roept mij mij als lezer vragen op. Ik ben het zelf even gaan onderzoeken.

  • Wie is H. Herschel?  Hartog Abraham Herschel (1886-1917).
  • Wie is hij?   Een telg uit de bekende slagersfamilie in Utrecht. Hij heeft op de Drieharingstraat 9 ‘Vleeshal Herschel’. In 1911 gaat hij op deze plek samen met Izak Ruben Vorst (die in het boek uitgebreid wordt genoemd) en wordt het ‘Vleeshal Herschel en Vorst’.
  • Werd hij gekozen bij de verkiezing in 1911?  Ja.

Ik begrijp dat het ontzettend veel tijd kost om werkelijk alle namen die je tegenkomt een ‘gezicht’ te geven, maar in zo’n groot boek als dit komt het niet-doen daarvan op mij toch onaandachtig over. Doe dan minstens een voornaam.

Opmerkelijk

Dan nog iets in de categorie ‘opmerkelijk’.  Er zijn namelijk nogal ouderwets aanvoelende formuleringen op officiële plekken: bronnen, de illustratieverantwoording enzovoort. Als het gaat om een vrouw staat er ‘mw’, zoals in ‘Mw. S. Cohen’ en bij mannen staat er niets voor, zoals ‘E. Jansen’. Dat kan tegenwoordig toch niet meer?

Conclusie

Natuurlijk: dit boek is zéker een monument voor de joodse gemeenschap in Utrecht. Maar het had op bepaalde punten beter gekund en soms echt gemoeten.

   

Reacties naar: terlingenschrijft@kpnmail.nl
En zie ook: www.jimterlingen.nl