Wielaert – Graffiti: klimmen, knallen en wegwezen
Gepubliceerd: vrijdag 9 oktober 2026 09:28
Door Jeroen Wielaert - Van de straten en de metro van New York naar de Utrechtse stallen. Ruim baan voor Graffiti in het Centraal Museum. Het is 75 jaar na de introductie van de spuitbus, het instrument waarmee arme zwarte en latino jongeren in New York rond 1970 begonnen hun sporen in wijken als the Bronx achter te laten, op muren en treinstellen in de subway.
Ze moesten uit handen van de politie proberen te blijven en dat vergde nogal wat acrobatiek. Het was klimmen, knallen en wegwezen. Het groeide uit tot een opwindende moderne kunstvorm op doek. Dat is te zien op grote werken van Keith Haring en Jean-Michel Basquiat.

Wat begon in New York verspreidde zich in de loop van de jaren zeventig snel naar Nederland, ook in Utrecht. Ik heb het altijd gezien als een mengeling van belabberd gekladder en verrassende straatkunst. Best fascinerend, de periode van de grillige, veelkleurige reuzenletters die vaak codewoorden vormden, wel of niet met een komische kop erbij. Lelijk, het geklieder op vuilnisbakken en electriciteitshokjes. Bij mij in de buurt in Oog en Al was de egaal grijze muur van een vrijstaand bakstenen huis een bijzondere uitdaging voor anonieme spuiters – sterke graffitti in de marge van een nette stadswijk, hoek Leidseweg-Bartóklaan.

Graffiti is het meervoud van het Italiaanse graffito en werd in 1840 voor het eerst gebruikt door de archeoloog Francesco Maria Avellino om de gekraste tekeningen op de muren van Pompeï te categoriseren. Na de uitbraak van de moderne spuitbusrage pakte de Amerikaanse socioloog Robert Reisner het begrip in 1967 opnieuw op. Nu is het de enige goede titel voor de tentoonstelling in Utrecht.
Als pioniers met gejatte spuiten maakte de dwarse New Yorkse buurtjeugd van hun straten en metro's de gratis toegankelijke galerieën voor de zich snel verspreidende bewijzen van hun identiteit, hun aanwezigheid in de rusteloze grote stad. Het mocht geen kunst genoemd worden, maar het was wel een kunnen dat onvermijdelijk de belangstelling trok van galerieën, boeken – en filmmakers, musea en goed opgeleide kunstenaars. Over dat hele stelsel gaat de expositie, sinds studio- en straatkunstpraktijken vanaf 2000 meer bij elkaar kwamen.
Bij de voorbezichtiging heb ik in de openingszaal even de neiging om te leunen op een van de drie lelijk beschilderde electriciteitskastjes. Meteen komt de wenk om dat niet te doen – het betreft Kunst. Dichtbij draait een filmpje van journalist en graffitimaker Ben Solomon met twee spuiters die 's nachts aan het taggen zijn op Times Square. Voor de muur op kop staat de levensechte imitatie van een met graffiti bekladde, dichtgerolde winkelpui. Het is Silent Weapons for Quiet Wars van Londenaar R.I.P. Germain. Van Dan Christensen is het witte reuzendoek met de gekleurde boogvormen die hij met grote armgebaren aanbracht met een verfspuitpistool.

In 1983 maakten Eindhovenaar René Daniels en Amsterdammer Rob Scholte samen het doek Spray Armee, waarop een centrale figuur geel gespoten wordt door spuiters met mondkapjes. Het is even terug naar die wilde tijd. Dit doek en de Amerikaanse schilderijen zoals Painting Graffiti in de zaal, herinneren aan een poniersperiode die voorbij is. Het schokkende is eraf, maar de herinnering is kinky, best wel.

Graffiti is springlevend, een paar generaties verder. Dat is de overtuging van Lady Pink, alias Sandra Fabara uit Ecuador (1964). Van haar hangt op de tentoonstelling het doek You are trapped on the earth so you will explode. Ze zegt: 'It's alive and well. Vrachttreinen vol graffiti gaan in Amerika van staat naar staat. Je ziet het in Berlijn en Rome. Veel vandalen haten het om kunstenaar genoemd te worden, vinden het een belediging. Ze noemen zichzelf liever rebellen. Die geest is er nog steeds. Liever dan als schapen te doen wat hen verteld is. Jonge mensen doen hun eigen ding. Er zijn veel schapen die Trump volgen in ons land. Rebellie is altijd belangrijk geweest. Amerika zou Amerika niet geweest zijn zonder dat. Vrijdenkers helpen het land vooruit.'

In de tussenruimte staat de stadsmaquette van Utrecht met beschilderde wagons, intigerend werk van Creative Lab Utrecht. Hier wordt het bezoek onder het motto Art Happens Together door maker Henny Overbeek uitgedaagd om mee te werken aan een mural in de hoek. Ik doe het zelf graag even, met ruim omhaal van krijt.

Dan gaan de deuren open naar Keith Haring (1958-1990) en Jean-Michel Basquiat (1960-1988), het New Yorkse topduo, betreurde dode meesters. De eerste overleed vroeg aan aids, de tweede aan een overdosis heroïne. Groots, Basquiats Dog Bite (1983) en King of Egypt (1982) naast elkaar – de even boze, als speelse verbeelding van racisme en ongelijkheid. Centraal hangt een reuzendoek zonder titel van Haring, een spektakel van vinylinkt op vinyl zeildoek met typische rode en zwarte Haring-figuurtjes in rode en zwarte lijnen om een centrale pyramide met het magische getal 666 erin.
In een nisje in de zaal staat Alleen Middel, zij is een van de weinige Nederlandse 'schrijvers' van graffiti en ze wijst met trots naar het spijkerjasje dat ze, dertien jaar oud, zelf bewerkte. Nog altijd is ze actief en staat ze bekend als Mick La Rock.

Aan het plafond voorin de zaal hangt een Amerikaanse vlag als achtergrond voor een wild gebarende zwarte figuur. Het is het doek Don't shoot me!, speciaal voor de expositie gemaakt door Lin Quik Felton (1958). Hij is een generatiegenoot van Basquiat en Haring. In New York rookten ze stickies op maandagavonden en bespraken elkaars werk. Hij kan er nog lekker over praten, in Utrecht.

In 1972 is hij in Queens begonnen met het beschilderen van metrotreinen. Hij doet het nog, in Manhattan en Brooklyn. Met een fijn glimlachje: 'Ik ben een metrojongen. Ik kan er niet mee ophouden. Maar na een uur ben ik wel moe tegenwoordig. Het is een verslaving, een guerillaoorlog. Mijn oorlog gaat over stoppen om mensen slecht te behandelen.'
Hij is vaak genoeg betrapt, maar weinig beboet. De rechtbank is een loterij, heeft hij gemerkt. Kwam hij daar een keer, zei een rechter: 'Je komt hier om graffiti? Je verspilt mijn tijd. Wat is dit voor stront? Doe het niet nog eens!' En dan zei hij: 'Niet vanavond, meneer.'
Met een ernstig gezicht vertelt Felton: 'Ik ben Afro-Amerikaan elke dag van mijn leven. Het is de harde kern. Het werkte niet, zwart zijn. Op het Pratt Institute in Brooklyn gaf de professor me de slechtste cijfers. Hij kwam uit dezelfde buurt, was blank. Hij had positief kunnen zijn, maar hij koos voor het negatieve. Dat is heel erg hoe Amerika van nu is. Alles wat ze doen is je tegenhouden. Ik woon liever in Nederland. Frans Haks was een van mijn vroegste supporters. Hij was geen graffitispecialist, maar hij toonde mijn werk in het Groninger Museum. Ik heb er dertien jaar gewoond.'
Hij heeft meer vlaggen geschilderd, allemaal uit protest. 'Ja, het is als spugen in de kerk. Daarom schilder ik zo'n vlag. Het is een sport voor hen om ons te hangen. Ze hebben me verteld dat ik een mislukking ben, maar ik ben een winnaar. Mijn vader had vertrouwen in me. Ik kom uit een goede familie van vechters.'
Leuk om het nog allemaal te kunnen vertellen in het Utrechtse museumcafé, anders dan Basquiat en Haring. 'Ik beneed hen om het soort geld dat ze verdienden. Ik zat misschien niet op hun niveau. We zaten in hetzelfde jaar, maar er zijn keuzes. Het is hoe je de kaars brandt. Ze zeggen wel eens dat het een keer je tijd wordt.'
Een ding niet vergeten: op de tentoonstelling is het bijzonder aardig om een ritje te maken op een forse modeltrein met graffiti, de New Media Express van Josephine Pryde.
Graffiti, te zien t/m 29 maart 2027 in het Centraal Museum