Door Julius de Goede - Op een kijkdag van het Venduhuis (Notarishuis) Achter Sint Pieter – alweer jaren gesloten – trof mijn oog dit tegelplateau waarop ik mijn eigen huis ontwaarde. Op de veiling was de hoogste bieding 1500 euro, dat had ik er niet voor over, maar ik had foto’s gemaakt.

De 8 x 6 tegels verbeelden de vestigingen van de firma B. van Mentz, vervaardigd in 1932 ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum. Het zal het kantoor van de firma op de Plompetorengracht 10 in Utrecht hebben gesierd.

In mei 1916 kocht Julius Jan Marie Joseph Moor, koopman te Utrecht (agentuur en commissiehandel) het huis Plompetorengracht 10 voor 16.000 gulden waar hij met zijn echtgenote Eugenie Josephina Marie Gertrude Ramakers twee maanden later introk. In de tussentijd was het kantoor beneden verbouwd mede voor twee andere agenturen: A. Rooseboom, grossier in behang. papier, linnen, enz., 1916-1929, na 1927 N. en L. van Wijngaarden & Zn., fabriek van cocostapijten enz. tot 1940. En van 1916-1972 B. v. Mentz, voorh. Lansberg (in 1959 Koninklijke B. van Mentz N.V. 1907-heden), grossier in tapijten, linoleum, enz. (met een onderbreking in de oorlogsjaren). Dat de agenturen in 1940 werden uitgeschreven is begrijpelijk gezien hun deels joodse achtergrond.

Al meteen in 1917 werd begonnen met de verwoesting van het interieur van de beganegrond en het in etappen uitbouwen van het pand in de tuin die tot in de jaren 60 zouden duren. Het echtpaar Moor-Ramakers bewoonde de bovenwoning met acht kamers en bleef kinderloos.

In 1921 kwamen twee familieleden van Eugenie bij hen inwonen: M. en J. Ramakers. De laatste vertrok in 1924 en de eerste twee jaar later, maar in 1925 kwam E.J.M.G. Ramakers, procuratiehouder, die tot 1930 bleef. In 1952 overleed Julius Moor en in 1972 zijn dan 86-jarige weduwe Eugenie Moor-Ramakers, die vier jaar daarvoor naar Soest was verhuisd. Haar familieleden verkochten het huis in 1977 voor 360.000 gulden.

De oorlogsjaren zullen voor een groothandel in meubileringsmaterialen karig zijn geweest en mogelijk om die reden zal het echtpaar Moor, intussen van middelbare leeftijd, kamers hebben verhuurd. Die huurders zijn onbekend, behalve een die door geidentificeerd kon worden: Leo C.P. Maagdenburg. Hij werd geboren op 8 juni 1920 in Amsterdam waar hij de ‘Eerste Amsterdamsche Vijfjarige HBS-B’ doorliep om daarna bankbediende te worden.

Leo C.P. Maagdenburg.

Leo kwam in Utrecht terecht om daar op 9 mei 1945 begraven te worden op de 1e Algemene Begraafplaats Soestbergen aan de Gansstraat.

Dagblad Het Centrum, za. 12 mei 1945: 'L.C.P. Maagdenberg werd tijdens een vergadering van de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) in een huis in de Voorstraat te Utrecht door de Duitse S.D. (Sicherheitsdienst/ Sicherheits Polizei) overvallen en raakte dodelijk gewond. Leo Maagdenburg was commandant van Kwartier 1 van de B.S. groep Binnenstad. Tijdens de overval op 20 april 1945 wist hij zwaargewond te ontsnappen maar werd pas ca. twee weken later in een huis aan de Breedstraat gevonden.'

Een van zijn kameraden maakte later rapport op in dit bittere verslag:

‘In April 1944 is Leo als assistent v.d. L.O. in Wijk 1 gekomen. Daar verrichtte hij het bekende en zeer uitgebreide onderduikers-verzorgingswerk (bonkaarten, geld enz.). Verder organisator van nachtelijke plak- en verfpartijen. In Sept. 1944 in opdracht van de L.O. mee gaan doen aan het werk der N.B.S. Via verschillende kleinere functies door prima prestaties zich opgewerkt tot kwartiercommendant van kwartier 1 (Binnenstad binnen de singels). Hij heeft de N.B.S. in de binnenstad prima georganiseerd en ging door voor een der beste Z.C.’s.

Toen het ging spannen heeft Leo al zijn mannen geconsigneerd in de binnenstad. Hij zelf sliep op Voorstr. 54 bis. Door verraad kwam de S.D. heel veel op het spoor en deed een inval in een aangrenzend perceel aan de Breedstraat dat in verbinding stond met het perceel Voorstraat, waar o.a. Leo rustig lag te slapen. Hij was altijd zeer voorzichtig, had dus nooit iets compromitants slingeren. Toen hij lag te slapen werd hij in zijn rug (of buik) geschoten. Hij werd gesommeerd zich te melden en heeft zich met inspanning van alle krachten naar het aangrenzende huis begeven, waar hij op een divan werd neergelegd, toegedekt met een deken. Door een landwacht-arts werd hij voorloopig en zeer slecht even verbonden.

Hij heeft zich de laatste oogenblikken als een held gedragen. Met zijn mede-arrestanten heeft hij een alibi gezocht en in elkaargezet, zoodat het gevaar voor een groot deel geweken was, omdat ieder wist wat hij moest zeggen. De andere arrestanten zijn overgebracht naar de S.D., terwijl Leo achter werd gelaten in het huis met de boodschap, dat hij per ziekenauto zou worden vervoerd. Men heeft toen lang gezocht in alle ziekenhuizen maar hem maar niet gevonden. Op Zaterdag 5 Mei heeft een van zijn vrienden hetinitiatief genomen het huis, waarin Leo was achtergelaten nog eens te doorzoeken en inderdaad werd het stoffelijk overschot van Leo daar nog in het huis gevonden. De S.D. had niet de moeite genomen Leo te vervoeren!’

Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten op de Plompetorengracht bij begrafenis Maagdenburg. Foto: HUA

De lijkkoets op de Plompetorengracht.

Boven: De ter aardebestelling van Leo C.P. Maagdenberg (†21-04-1945) op begraafplaats Soestbergen op 9 mei 1945. Twee jaar later werd zijn stoffelijk overschot vergaderd met die van elf lotgenoten in ‘Het Monument voor de Binnenlandse Strijdkrachten’ op begraafplaats Tolsteeg. Op 6 mei 1947 werd het monument onthuld door prins Bernhard, bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten. Leo ligt uiterst rechts.

Krantenartikel 1947