Het is vandaag 75 jaar geleden dat Engelse bommenwerpers hun vernietigende lading wilden droppen op het Centraal Station in Utrecht, maar in plaats daarvan Gebouw III van het Stads- en Academisch Ziekenhuis Utrecht raken.

Onder het personeel, patiënten en bezoekers vallen 21 doden. Ziekenhuisdirectrice Mariana Stenvers houdt in die periode een dagboek bij. In dit artikel een samenvatting van de tragische gebeurtenissen.

Door Ton van den Berg

Opgelucht is directrice Mariana Stenvers, als er op 13 oktober 1944 bij een bombardement op het Centraal Station in Utrecht geen bommen vallen op haar Stads- en Academisch Ziekenhuis (SAZU). Op deze dag schrijft ze in haar dagboek: Dadelijk het gezegende bericht dat alle patiënten en zusters er zonder enig letsel waren afgekomen.
 De slachtoffers vallen elders in de stad: meer dan twintig doden.

Op die 13e oktober ontspringt het ziekenhuis de dans. Maar hoe lang nog? De Duitse bezetter stelt steeds vaker treinen op achter het ziekenhuis, dat precies ligt tussen de Catharijnesingel en het spoorwegcomplex bij het Centraal Station. Het gaat om treinwagons vol munitie, die waarschijnlijk ook geladen zijn met de beruchte V-1- en V-2-raketten, die vanuit Scheveningen richting Londen worden geschoten.

Aannemelijk is dat de Duitsers hopen dat de geallieerden, vaak Engelse vliegeniers, het niet in hun hoofd zullen halen een aanval uit te voeren zo dicht bij het, vanuit de lucht goed herkenbare, ziekenhuis. De gebouwen van het hospitaal lijken zo onaantastbaar. Ook zaterdag 4 november van dat jaar. Stenvers is in de Nicolaïkerk, waar ter ere van het honderdjarige bestaan van het Diaconessenhuis een dienst wordt gehouden.

Toen deze goed en wel was begonnen, kwamen er luchtalarm en een hevig bombardement. De dienst werd rustig voortgezet, alleen degenen die bij de luchtbescherming waren, mochten vertrekken. Persoonlijk ook gegaan; als steeds had ik de band van de bedrijfsluchtbescherming bij me. Onderweg éénmaal een winkel in gevlucht, toen het schieten heel hevig was, daarna op een hol naar huis.
 Naar huis is voor Stenvers naar het Stads- en Academisch Ziekenhuis Utrecht.

Daar komen de eerste patiënten binnen. Het aantal slachtoffers valt gelukkig zeer mee, de meesten konden poliklinisch worden geholpen (12), in totaal werden er 6 patiënten opgenomen.

Een dag later, 5 november, schrijft Stenvers:

Een rustigen Zondag, veel wind en regen, ’s avonds in de verte gedreun als van zwaar geschut.

Bommen op het AZU

6 november is het dan toch raak. Bommen missen hun doel bij het Centraal Station, maar het ziekenhuis wordt geraakt. Stenvers maakt diverse aantekeningen in haar dagboek, maar vindt pas 11 november echt de tijd en rust op te schrijven wat er die tragische dag precies gebeurde.

Maandag 6 November, toen ik ’s morgens bij de directeur was voor de dagelijksche bespreking, werd er geschoten. Dit werd zoo hevig, dat we ons van de ramen verwijderden en achter in de kamer gingen staan, tot er een ontzettende slag kwam en de grond dreunde onder onze voeten. Ik ging dadelijk naar m’n kantoor om bij de centrale telefoon te zijn. Dit geschiedde om 10.27. Dadelijk telefoneerde zuster Waltman: Mannen III is getroffen! Na de luchtbescherming en den directeur te hebben gewaarschuwd, ging ik naar Gebouw III.

Een luchtfoto uit 1944 van het AZU-complex met op de voorgrond het getroffen gebouw III.

Reeds bij de wasscherij kwamen de eerste gewonden me tegemoet loopend, bloedend en onherkenbaar door de dikke laag grijs stof, die hen bedekte. Enkele patiënten werden door twee personen gedragen, meerderen kwamen al op brancards. Bij de achterdeur gekomen keek men dwars door het gebouw, daar het middenstuk van de voorgevel tot aan ’t trappenhuis was weggeslagen. Een voltreffer had het huis daar getroffen. De ravage overal was onbeschrijfelijk. Over glasscherven, uitgeslagen deuren en neergestorte plafonds hielpen allen mede de getroffenen eruit te dragen, zelfs meerderen, die zelf waren gewond. De houding van allen was voortreffelijk. Niemand aarzelde één moment. Ieder- een hielp mee en pakte oogenblikkelijk ten volle aan.

De polikliniek van chirurgie stroomde vol met slachtoffers. De meesten waren leden van het personeel. Eén van de eersten die me tegemoet werden gedragen was zuster Zwaab, bijna onherkenbaar. Toen volgde zuster Vos op een brancard, evenals zuster Biemans, zuster Groen, enz. De aanblik op de polikliniek was ontzettend, zoo ernstig waren velen getroffen.

Meteen kwamen, de een na de ander, de trieste berichten door, dat meerderen dadelijk doodelijk getroffen waren, te weten zuster D. Zijlstra, zuster Drenth, zuster Wellema, zuster Sanders, Leni Nagtegaal evenals dokter Van der Plaats. Het was niet te omvatten en een overzicht van hetgeen was geschied, was moeilijk te verkrijgen. De psychiatrische patiënten werden ’s middags naar het W.A. Huis gebracht en de neurologische naar de interne afdeling in Gebouw I. Een tiental was gewond, eenige uit schrik de straat op gevlucht.

Op 6 november zelf noteert Stenvers:

Bovendien bleven er eenige personen onvindbaar, zodat men vreesde te moeten aannemen dat deze nog onder het puin lagen. Helaas moest met zekerheid worden aangenomen, dat de portier Ras, die tijdens de bominslag in de portiersloge stond, één van deze slachtoffers was. Groote ongerustheid heerschte tevens omtrent dokter Immink en dokter Heykoop, die beiden kort voor het ongeluk in het gebouw waren gesignaleerd.

In de nacht van 6 op 7 november sterven enkele van de gewonden.

Om 1.30 uur voormiddag overleed zuster Böhm, terwijl ik om 4 uur werd gewaarschuwd, dat zuster Zwaab tevens hard achteruitging. Toen ik haar bezocht, herkende ze me niet meer en begreep ik, dat we ook haar zouden moeten verliezen. Om 5.30 uur voormiddag overleed ook deze trouwe hulp. De toestand van zuster Groen, die dadelijk zeer kritiek was geweest, verergerde ook zichtbaar. Het was alles niet meer te omvatten.

Stenvers zorgt ervoor dat families van slachtoffers worden gewaarschuwd.

Om 12.15 uur ’s middags overleed ook zuster Groen, weer één van de zoo zeer vertrouwde, oude staf uit Gebouw III. Haar ouders in Schoonhoven konden gelukkig worden bereikt.


Nog op 7 november komt het bestuur van het ziekenhuis bijeen om een gedeeltelijke evacuatie van het ziekenhuis te bespreken. Volgens Stenvers is dit noodzakelijk, omdat patiënten en personeel doodsbang zijn dat een volgende vliegtuigaanval hen fataal wordt. De gemeente stelt de ambachtsschool in de Schoolstraat beschikbaar en Stenvers begint met voorbereidingen op een verhuizing van diverse afdelingen.

Mariana Stenvers (in het zwart) in de jaren vijftig toen ze werkzaam was in het Prinsengrachtziekenhuis in Amsterdam. Foto: familie Stenvers

Op 8 november meldt Stenvers dat het lichaam van portier Ras onder het puin is gevonden het- geen nu voor z’n jonge vrouw die binnenkort haar tweede kindje verwacht, een vermindering van de enorme spanning van de laatste dagen betekende.

Later op de dag wordt de vermiste dokter Immink onder het puin uit gehaald.

De pathologieploeg heeft al deze dagen de wel zeer zware, droevige taak op rustige wijze volbracht en is trouw op z’n post gebleven.

Niet alleen de ambachtsschool wordt benut bij de evacuatie. Een deel van de chirurgische kliniek verhuist die dag met 100 patiënten, met hulp van het Rode Kruis, naar het nieuwe kinderpaviljoen van het Diaconessenhuis. De afdeling gynaecologie krijgt in dit ziekenhuis een onderkomen in de rouwkapel.

Op donderdag 9 november vindt de eerste begrafenis plaats. Het is die van dokter Van der Plaats. In de avonduren wordt dokter Heykoop in het puin van Gebouw III gevonden. Het aantal doden staat dan op twintig, stelt Stenvers zakelijk vast. Zes overleden verpleegkundigen worden op deze donderdagavond op brancards overgebracht naar de kerkzaal van het ziekenhuis.

Het was een zeer droevig, indrukwekkend gezicht deze zes baren op een rij te zien staan in ons mooie, intieme kerkzaaltje, bedekt met bloemen.

Op 10 november zijn er meerdere begrafenissen. Tien dagen na de ramp, 16 november, bezoekt Stenvers de ambachtsschool waar ziekenhuismedewerkers met de Utrechtse firma Oostveen druk doende zijn het gebouw schoon te krijgen. Ook gaat ze nog eens kijken bij Gebouw III. Als ze terugkeert schrijft ze in haar dagboek:

Een beetje gedeprimeerd thuisgekomen, daar het op beide plaatsen een ’hondenbaan’ is door de koude en de vele plaatselijke moeilijkheden. Hoewel ik alleen bewondering heb voor den moed en energie waarmee de voorgangsters er den moed inhouden, valt het me toch wel moeilijk zúlk zwaar werk van m’n menschen te moeten vragen en zoo weinig te kunnen doen om hun taak te verlichten. Echter houd ik mezelf de twee woordjes die ik dezer tijden zoo dikwijls aan anderen heb doorgegeven, voor namelijk: Het móet; hoe ook de omstandigheden, hoe groot de bezwaren en de problemen zijn, er is geen sprake van of het al of niet kan, er is slechts één antwoord: Het móet worden volbracht, opgelost.

Dit artikel is geschreven met medewerking van Antoinette van Putten en Kirsten Sontrop. Het werd eerder gepubliceerd in 2004 in het Utrechts Nieuwsblad.