Persoonlijke herinneringen van sportjournalist Hans van Echtelt

Het feit dat De Kromme deze week zijn 75e verjaardag viert, brengt tal van nostalgische herinneringen met zich mee. Niet alleen vanwege zijn voetbalprestaties maar Wim van Hanegem was ook buiten het veld spraakmakend, letterlijk en figuurlijk. Het begon al bij onze allereerste ontmoeting, hij had zojuist in het eerste elftal van Velox gedebuteerd. Mijn toenmalige chef van de sportredactie had me de opdracht gegeven om de Van Hanegems te bezoeken op hun flat, ergens in Overvecht.

Het werd een gedenkwaardige ontmoeting. Willem en Truus woonden begin jaren zestig in een simpel gemeubileerde flat. Er waren nog geen kinderen, de eerste was onderweg. Tijdens ons gesprek voerde de vrouw des huizes voornamelijk het woord, Willem knikte af en toe goedkeurend en liep geregeld naar de hoek van de kamer om een plaatje op te zetten. Een nummer van Roy Orbison. Het was Oh, Pretty Woman. Terwijl Truus uitlegde dat ze met de toenmalige voorzitter van Velox driftig in gesprek was over salarisverhoging van haar man, neuriede Wim gezellig mee met de hit van The Big ‘O’.

Hij werkte toen nog voor een bescheiden loontje als opperman in de bouw en ook de premies bij Velox leverden geen vetpot op. Vijf gulden voor een training, vijftig gulden voor een overwinning. Na afloop deed zich nog een uiterst opmerkelijke dialoog voor. Bij het afscheid nemen merkte ik op: ,,Wim zal dat wel een leuk plaatje vinden, want tijdens mijn verblijf hier heeft hij het nummer wel een keer of tien gedraaid.’’ Waarop Truus tot mijn stomme verbazing snedig antwoordde: ,,Hans, het is het enige plaatje dat we in huis hebben.’’ Een ontmoeting die zich meer dan vijftig jaar geleden voordeed, maar die ik nooit zal vergeten. Profvoetballers van nu zullen het zich niet kunnen voorstellen.

Destijds was ik net als Willem begin twintig en in die tijd bleven we elkaar volgen, zeker in zijn Velox-periode. Hij vertrok daarna naar Xerxes en werd beroemd bij Feyenoord waarna ik hem een beetje uit het oog verloor vanwege mijn Utrechtse betrokkenheid.

Maar zie, De Kromme keerde toch nog terug naar de Domstad. Nu als speler van de FC. Het was 1979 en we kregen weer met elkaar te maken, ook nu gebeurden natuurlijk weer spraakmakende dingen. Zo belegde Han Berger een weekend-trainingskamp in Limburg omdat FC Utrecht uitzicht had op Europees voetbal. De tegenstander heette Roda JC waar Bert Jacobs toen trainer was. Journalisten mochten destijds gewoon mee, zonder enige beperking. Dus was ik aanwezig bij de trainingen, de bespreking en logeerde ook in het spelershotel.

Een avond voor de beslissende wedstrijd zaten we aan tafel, met Hans van Breukelen en Han Berger. Voordat het avondeten werd opgediend, vroeg de trainer van FC Utrecht om een minuutje stilte voor de mensen die even wilden bidden. Dat was vooral bedoeld voor oud-misdienaar Van Breukelen en voor mij, als voormalig seminarist.

Toen de minuut om was, maakte Hans net iets eerder dan ik het kruisteken, hij was al klaar met zijn gebed. Daarna volgde ik, een paar seconden later. Waarop Van Hanegem de legendarische opmerking maakte: ,,Zeg, Van Echtelt, stotter jij nu ook al wanneer je stil zit te bidden.’’ Hilariteit alom, ook deze soms hakkelende journalist deed hartelijk mee.

De volgende dag won FC Utrecht met 1-3 van Roda, goals van Willy Carbo en twee van Leo van Veen. Europees voetbal was bereikt, en op de terugweg deden we een wegrestaurant aan in Eindhoven. In de hoek van de eetzaal stond een piano waar ik op verzoek van De Kromme een paar nummertjes speelde. Willem begon spontaan een  polonaise waarin zelfs scheidsrechter Jan Keizer, toevallig ook aanwezig, meeliep.

Het was al de tweede keer dat ik voor de selectie van FC Utrecht mijn muzikale talent mocht tonen. Een jaar eerder gebeurde dat in trainingskamp in Norg, waar ook weer Van Hanegem aanwezig was. De Kromme vroeg of ik tijdens het eten een ‘stukkie Beethoven’, namelijk Fur Elise, wou spelen. ,,Mijn lievelingsnummer’’, voegde hij er ietwat huichelachtig aan toe. Nadat ik het werkje keurig ten gehore had gebracht, draaide ik me om naar de spelers die ik in de eetzaal achter me vermoedde. Maar er was niemand meer te bekennen: onder aanvoering van Wim van Hanegem hadden ze massaal de zaal verlaten tijdens mijn spel. Er was dus geen applaus, alleen gelach!