Raymond Taams -  Het is de tweede woensdag van augustus in het jaar 2025 na de Verlosser, om kwart over zeven ‘s ochtends wandel ik langs de Weerdsingel onderweg naar Albert Heijn aan de Potterstraat, welke om half acht zijn deuren opent, waarschijnlijk staan daar nu alweer verwilderde middelbare mannen met vuilniszakken vol statiegeldblikken voor de ingang. 

Op het Nijntjepleintje doen twee dertigers – een man en een vrouw – rek- en strekoefeningen, stijlvolle sportkleding omhult hun afgetrainde lichamen. “Laatst zat ik na mijn werk in de trein tussen Toppers-publiek, dan ben je dus kapot en zit je tussen dat uitschot van de samenleving”, hoor ik de sportieve meneer bloedserieus zeggen.

Terwijl ik doorloop, echoën zijn woorden in mijn hoofd, ik merk dat ik met elke stap die ik zet woedender word om wat ik zojuist opving. Levendig fantaseer ik dat ik omdraai, op het ventje afloop en schreeuw:

“Wie ben jij godverdomme eigenlijk dat jij jezelf zo verheven voelt? Laat me raden: je bent een brave HBO- of Universiteitsstudent die op zo’n instelling voor Hoger Onderwijs leerde zijn smoel te houden wanneer iemand die hoger in de organisatie zit je vertelt wat je moet doen”. 

“En nu heb je godverdomme een of ander nietszeggend baantje als adviseur of consulent bij een semi-overheidsinstelling, waar je inmiddels in de hoogste salarisschaal zit omdat je jezelf zo goed weet te onderdrukken en klein te houden, ja, je bent een heel klein mannetje, weet je dat? In emotioneel opzicht een kabouter die ’s ochtends vroeg moet rennen om nog iets met zijn driften aan te kunnen vangen.”

‘Het is waarschijnlijk jaloezie omdat ik, ondanks mijn HBO-diploma, nooit een goedbetaalde baan wist te bemachtigen, bovendien houd ik niet eens van de Toppers’, dacht ik toen ik even later enkele onderweg gevonden statiegeldblikken in de automaat bij Albert Heijn wierp.