Wielaert - 50 Jaar Utrecht (1)
Gepubliceerd: zaterdag 30 augustus 2025 15:00
In de nazomer van 1975 begon Jeroen Wielaert in Utrecht aan de studie Nederlands. Het was het begin van een halve eeuw wonen en leven in de stad. Er is in vijf decennia veel gebeurd, persoonlijk en stedelijk, vol ups en downs. Een terugblik in tien delen, wekelijks op Nieuws030.
Deel 1: 1975-1979
Achter de Utrechtse heuvelrug ben ik in 1956 geboren in Veenendaal, Amsterdam was de geïdealiseerde bestemming als stad waar alles gebeurde, maar het werd Utrecht, een plaats om te ontdekken en te blijven.
Als middelbare scholier uit 't Veen wist ik bar weinig van de stad. We kwamen er langs als we voor een weekend naar oma in Osdorp reden, aan de rand van Amsterdam. Daar ging ik in die weekends met vader George heen, naar het Stedelijk, galeries, tweedehandsboekenzaken, het Waterlooplein. Hij nam me op mijn zeventiende een keer mee naar een USO-concert in Tivoli, het noodgebouw op het Lepelenburg. Ik genoot er van Julian B Coco, de zwarte contrabassist. Een zeilkampreünie voerde in de herfst van 1973 naar een werfkelder aan de Oudegracht. Een enkele keer ging ik met de trein naar FC Utrecht, om daar in het oude stadion Galgenwaard een uitwedstrijd te zien van mijn favoriete club Ajax.
Economie was mijn eerste studie, maar niet mijn eigen keuze, in 1974. Ik wilde de journalistiek in, maar dit was niet de weg, ondanks het idee van mijn vader. Het werd een zwarte herfst, op een eenzame kamer in de Amsterdamse Beethovenstraat. Na drie maanden hield ik er mee op. Hoorcolleges geschiedenis lopen was in de volgende lente een aardige uitkomst. In de vroege zomer van 1975 bezocht ik nog wel een geweldige, chaotische Nacht van de Poëzie in het Concertgebouw en had een leuke week plezier op een evenement dat alles mooi samenvatte: de Boulevard of Broken Dreams, op het Museumplein.
Mijn oude Veenendaalse schoolvriend Peter Vroege is al Nederlands gaan studeren in Utrecht. Ik besluit hem te volgen. Het is een bevrijding na het verloren jaar in Amsterdam. Eind augustus 1975 stap ik met Peter voor het eerst café De Vriendschap binnen op het Wed. Het bier is heerlijk. Ik begrijp dat het de door Herman van Veen bezongen kroeg is in Adieu Café, tekst van Willem Wilmink.
De Vriendschap wordt voor lange tijd een soort huiskamer, met colleges dichtbij, in het Academiegebouw aan het Domplein. Ik trek er vaak heen met nieuwe studievrienden, zoals Haagse Paul Wamsteeker, Utrechtse Fred Wittenberg en Culemborgse Rob Bekker. We lachen wat af over Eventuele Poëzie. Het biljart wordt af en toe bespeeld door Herman van Veen's gitarist, een sympathieke langharige vent uit Amsterdam, Harry Sacksioni. Hij kan goed keuen en ouwehoeren met een brede glimlach.

Mijn eerste behuizing in Utrecht is op de Van Leeuwenhoekstraat in de Vogelenbuurt. Trap op naar een keuken en nog een trap hoger naar de zolderkamer met een eenpersoonsbed en een tafeltje met een stoel. Daar neem ik mijn eerste taalkundige studiepocket door. En draai Herman van Veen, ik ben dol op zijn Kletsnatte Clowns. Met Bart van Beest, een andere oud-Veenendaler ga ik naar One Flew over the Cuckoos Nest – geweldige rol van Jack Nicholson. In die tijd komt ook Jaws uit, van een nog jonge Amerikaanse regisseur, Steven Spielberg. Die spectaculaire haaienfilm beleeft nu na 50 jaar zijn reprise in de Utrechtse bioscoop.

Aan de Kromme Nieuwegracht is sociëteit Veritas een nieuwe basis om vrienden te maken, zoals Hagenezen Egbert Wesselink en Paul Doesburg. Een van de mentoren pleegt er te roepen: 'It's Toppop-time!' En dan is het collectief tv-kijken naar de show van Ad Visser.
Er zijn leuke studentes, in de collegezaal en bij Veritas. Elja, Heidi, Monica. De laatste neem ik mee naar huis, waarna mevrouw de hospita de volgende morgen het gezicht trekt dat hospita's moeten trekken bij onwelkom damesbezoek. Het is prettig seksueel, maar een relatie zit er niet in.
In de weekends spoor ik terug naar Veenendaal. Daar was ik al eerder begonnen aan verslaggeverswerk op de zaterdagse voetbaltribune, voor het nieuwsblad de Rijnpost en de lokale kwaliteitskrant De Vallei. Ik schrijf over duels van DOVO en GVVV tegen roemruchte clubs als IJsselmeervogels en Spakenburg. De journalistiek is mijn ware hartstocht, ik ben een grage lezer van VN en HP.
In Utrecht breekt in die periode het tijdperk uit van de Bunnikside, de eerste lichting hooligans achter de FC. Ik lees de achtergrondstukken erover in het Utrechtse Nieuwsblad, geschreven door Jan Boerop en Ton de Ruiter. Hans van Echtelt is de voetbalverslaggever. De krant heeft twee tv-recensenten: Gerard Paques en Bert van der Veer en ook een heuse popcriticus: Ron Blansjaar. Dick Franssen, Louis Engelman en Pieter van de Vliet zijn prima algemene verslaggevers en Max Snijders is nog een meneer als hoofdredacteur van het UN, stadskrant van klasse.
Het Instituut Nederlands heeft een eigen studentenblad – ook een platform om journalistiek te bedrijven. Ik maak een reportage met Cees Buddingh', Dordtse dichter met een optreden in Veritas. In het voorjaar van 1976 komt een bijzonder duo optreden op de Uithof en daarna in 't Hoogt: het Simplisties Verbond, Kees van Kooten en Wim de Bie zelf. Ik bel met hun producer bij de VPRO en het wonder geschiedt: ze willen wel een interview met het Utrechtse studentenblad. Ik doe het samen met mijn studiegenoot Adrie van Dijk. Een paar uur spreken we Kees en Wim aan een tafel midden in Café de Postiljon, bij Arie op de brug. Het worden vier pagina's in De Vooys.
In Utrecht is mijn infrastructuur nu uitgebreid tot de trajecten naar collegezalen aan het Domplein en de Emmalaan, naar het Wed en de bioscopen aan de Oudegracht en later in de avond naar avondetablissement 't Pandje, niet ver van een andere late bestemming: de Wooloomooloo.
Mijn stadsraamwerk ontvouwt zich zo verder, met het fietsen over de Voorstraat, het Lucasbolwerk, Nachtegaalstraat, Maliebaan, Burgemeester Reigerstraat en het Wilhelminapark. Door tentamens op de Uithof komt er nog een pleisterplaats bij: Primus, het nog niet zo lang geopende multibierencafé, hoek Prins Hendriklaan/Jan van Scorelstraat. Die wegen en de gevels zijn in een halve eeuw uiterlijk nauwelijks veranderd, alsof de tijd stil is gezet.

Bij Nederlands krijgen we moderne letterkunde van de vermaarde professor Gerritsen en een jonge hoogleraar met een rockkrullenbol: Ton Anbeek (geboren in Veenendaal). Vondel wordt gedoceerd door specialist Steenbeek, vader van Rosita. De middeleeuwse letteren, inclusief Van Maerlant zijn het domein van een andere jonge docent: Frits van Oostrom. Het is mooie stof, naast wat ik dagelijks lees in de Vrienschap: de Volkskrant en de Telegraaf, met die twee volslagen tegengestelde columnisten: Jan Blokker en Leo Derksen.
Laat in 1975 komt er schokkende actualiteit bij: Molukse terreur met de kaping van een stoptrein bij het Drentse Wijster en de bezetting van het Indonesiche consulaat in Amsterdam. Genoeg voor heftige discussie aan de kroegtafel op het Wed. Het voegt zich bij wat er al langer gaande is in West-Duitsland: de terreur van de Rote Armee Fraktion, geleid door Andreas Baader en Ulrike Meinhof. Het komt ook aan de orde op de Blauwkapelseweg, de studentenzolder van Gert Anbeek, nog een voormalige Lyceum-genoot uit Veenendaal.
Links is de sfeer, het levensgevoel dat tot diep in de jaren zeventig door werkt als erfgoed van de opstandige jaren zestig. Dat leidt tot weerzin tegen het studentencorps, al leer ik een heel leuke Utrechtse corpsbal kennen in de leiding van een Fries zeilkamp van de VCJC, de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale, gevestigd aan de Nieuwegracht. Protest tegen het kapitaal in het algemeen en Hoog Catharijne in het bijzonder is te lezen op de Utrechtse Muurkranten.
Utrecht, progressieve stad. Het multiculturele centrum RASA organiseert een avond met Günter Wallraff, de Duits undercoverjounalist die bij de rechtse Bild Zeitung heeft gewerkt onder het pseudoniem Hans Esser.
Saai, Utrecht? In het geheel niet. Voorbij de tijd dat gezegd werd dat het leukste van Utrecht de laatste trein naar Amsterdam was. Ik ben blij met Utrecht. Het past goed.
In het voorjaar van 1976 verhuis ik naar Oudwijk, een kamer op Minstraat 42, samen met studiegenoten Paul en Egon Berendsen. Er is veel muziek, ik ga Rumours van Fleetwood Mac scoren bij White Noise in de Choorstraat, schuin tegenover Broese. Paul is een fan van Magma, Gong en Todd Rundgren. Ik kom aan met Jonathan Richman and the Modern Lovers. Verder is het veel Stones, Creedence, Bob Dylan, Cuby + Blizzards en Pink Floyd.

Op woensdagavonden wordt De Zes Vaantjes aan de Monseigneur van de Weteringstraat een vaste kroeg om af te spreken met Fred Wittenberg die verderop in de straat woont. De klandizie moet aanbellen en dan doet Appie zelf open, of zijn zoon Bert. De gesprekken gaan over literatuur, het leven en een mooi toekomststreven: een nachtprogramma op de radio.
Er komt post op de Minstraat. Een envelop met het logo van dagblad Trouw en een brief van voetbalredacteur Matty Verkamman. Ik heb hem een paar keer ontmoet bij zaterdagwedstrijden. Nu vraagt hij me, of ik over de zaterdagclubs wil gaan schrijven voor de voormalige christelijke verzetskrant. Ik ben net 20. Natuurlijk wil ik dat.
Er is van alles loos in de buurt. Op de hoek bij het plein met de telefooncel woont dikke Adje. Hij draagt altijd een hoedje. Vanwege een van zijn kleine vergrijpen krijgt hij op zekere middag politiebezoek. Hij wordt in een overvalwagen gezet. Dan gebeurt er iets wonderlijks. Uit verschillende hoeken komen buren, sommige bewapend met knuppels en ze bevrijden hem uit de wagen. De politie druipt snel af. Het is bizar straattheater.
Nóg ontbreekt er iets in Utrecht. Er is geen heuse poptempel als Paradiso in Amsterdam, waar je met de trein heen moet om Blondie te zien. Voor bands uit eigen land ga ik op zaterdagavond in Veenendaal naar jeugdcentra de Pomp en Suzie Q. Ik zie er opwindende nieuwe bands: Herman Brood & Wild Romance, Gruppo Sportivo, Vitesse en de agricorockgroep Normaal. Anno 1977 begin ik erover te schrijven in De Vallei. Op een avond speelt ook Music Garden in de Pomp, een band met de gave Utrechtse gitarist Han Bavinck. Met hem spreek ik wel eens thuis af in Utrecht. Ook als ik in 1978 verhuisd ben van de Minstraat naar de Valkstraat. Terug in de Vogelenbuurt. It rocks!
In de Koekoekstraat leer ik een nieuwe kroeg kennen: Fokus. In de binnenstad is tegenover het Stadhuis aan de Ganzenmarkt een ander café snel populair aan het worden worden: De Zaak, onderneming van Will Jansen, dan nog partner van rechtenstudente Loes Noy die ook achter de bar werkt.
Het zoemt van activisme in de stad. Freek de Jonge en Bram Vermeulen kiezen de Stadsschouwburg uit voor een Neerlands Hoop-actie tegen de deelname van het Nederlands Elftal aan het WK-voetbal in de zomer van 1978 in Argentinië, het land van dictator Videla. De actie heet Bloed aan de Paal. Ik ga erheen met Paul Wam.

Er komen ook acties voor de komst van een groot Utrechts poppodium. Ik ken de scene inmiddels een beetje. Simon Been, pianist van Braak komt bij me langs in de Valkstraat om te overleggen. Er volgen meer gesprekken in Rasa en de Kargadoor. Ik leer Bunk Bessels en Robert van Gemert kennen, voormalige pioniers van twee baanbrekende Utrechste popfestivals in de Jaarbeurs, 1967 en 1968: de Flights to Lowland Paradise. Van Gemert is inmiddels raadslid voor de PSP, Bessels veelzijdig beeldend kunstenaar. Een van de andere activisten is Wilbert de Greve die veel vrijwilligerswerk doet in de jeugdcultuur. De Zaak wordt een ander epicentrum van ondernemend, opstandig overleg. Het broeit. 'Te gák!' zegt de voormalige Hagenaar Van Gemert vaak.
Er komen kraakacties door een nieuw komitee: Tivoli Tijdelijk. Een eerste doel is het oude houten Tivoli op Lepelenburg. Het plan komt tot uitvoering op een vrijdagavond in het voorjaar van 1979. Onderdeel is een concert in Rasa dat nooit zal plaatsvinden. Daar komt het publiek bijeen dat wordt bijgepraat over het oprukken over de Kromme Nieuwegracht. Zelf zit ik op de bovenverdieping van het U-huis tegenover Tivoli, samen met Martijn Schroevers, een jonge programmamaker die ik heb leren kennen in de Zaak. Het is onze taak om in de gaten te houden of er politie aanwezig is en zodra de kust vrij is te bellen naar Rasa.
Het is T-Day, de bestorming van Tivoli kan beginnen, na de groepsverzameling op een plein in de buurt van Veritas. De stormram wordt gehanteerd door een besnorde gozer, afkomstig uit Zeeland, Dick van der Peijl. Het gerinkel van het brekende glas van de deur komt op het bandje van radioverslaggever Cees Grimbergen.

Er volgt een dol weekend met onder andere optredens van een paar nieuwe lokale bands: Het Goede Doel, met de Utrechtse Henken Westbroek en Temming en Klein Orkest van de Utrechtse Hagenaar Harry Jekkers. Het statement is voluit gemaakt, de bezetting wordt na een weekend beëindigd. Niet lang daarna brandt Tivoli op spectaculaire wijze af. Het zou een fout van een lasser zijn geweest, maar er gaat ook snel een gerucht rond dat burgemeester Vonhoff zelf erachter zit.
Voor mij zelf is het in dik vier jaar een mateloos intensieve samenbundeling van activiteiten geworden. De studie, het kroegleven, de weekendverslaggeving, de Friese zeilkampen. Rock&roll zonder een moment rust – het wordt voelbaar. Ik heb bonje gekregen met Cor, de verhuurder op de Valkstraat en tijdelijke toevlucht gevonden op het IBB, het studentencomplex bij Oudwijk. Op de beperkte ruimte van mijn kamer daar vier ik in maart '79 mijn propaedeuse Nederlands. Monica van '76 is verleiderlijk teruggekeerd in mijn leven. Zij woont op de Voorstraat, studeert Italiaans. We fietsen op mooie dagen de stad uit, de groene weilanden in.

Na de zomer wil ik verder met massacommunicatie in Amsterdam. Met Monica praat ik over een verhuizing naar de hoofdstad en dat ze dan veel op bezoek komt. Het loopt anders. Ze maakt het uit. Het wordt het begin van een moeilijke tijd vol liefdesverdriet. Met Paul Wam neem ik in de herfst van '79 regelmatig de trein voor colleges in Amsterdam, maar het is me te theoretisch allemaal. Veel boekenwijsheid.
Met Tivoli Tijdelijk deel ik in de herfst mee aan de kraak van een leegstaand vakbondstheater aan de Oudegracht: het NV-huis. Zelf wrik ik er met een koevoet een zware deur open. Braak is een van de optredende groepen. Het zal de beoogde poptempel worden: Tivoli. Inmiddels is het Muziekcentrum Vredenburg geopend met een optreden in de Grote Zaal van Udo Lindenberg met Eric Burdon.
Het jaar dooft uit met de blues van het IBB.
Alle afleveringen van '50 jaar Utrecht':