Door Jeroen Wielaert - De wijk bij het Wilhelminapark ziet er nog altijd hetzelfde uit: vooroorlogs. Zo is het ook met het pand op Prins Hendriklaan 4, keurig met de buurhuizen gedeeld baksteen. Achter die gevel op dat adres gebeurde tijdens de bezetting iets wonderlijks. Het was het geheim van verzetsvrouw Trui van Lier: haar Kindjeshaven, opvangcentrum voor joodse kinderen.

Tot de dag van vandaag wordt Trui verward met haar jongere nicht Truus, die in 1943 NSB-hoofdcommissaris Kerlen liquideerde, snel gearresteerd werd en niet veel later gefusilleerd. Voor Trui duurde de oorlog veel langer. Dat blijkt uit de grondige biografie (239 bladzijden) die eind deze week - op 10 april - verschijnt, geschreven door Jim Terlingen.

De familie Van Lier had al eeuwen een prominente plaats in Utrecht. Ze waren van joodse afkomst, hadden vooraanstaande functies. Voorouder Isaac Eleazer van Lier was een van de oprichters van de joodse gemeente. De geloofsbeleving in de familie verflauwde.

Zo was het ook met Alfred, oudste zoon van Lambertus van Lier, een van de oprichters van de Utrechtse Hypotheekbank en zijn volle nicht Geertruida. Alfred trouwde met de niet belijdende Nederlands-hervormde Corrie Guldensteeden Egeling. Op vrijdag 13 november 1914 kregen ze hun dochter Geertruida Elizabeth, genoemd naar vaders moeder. Zus Nel is van 1904, broer Bertus uit 1906. Acht jaar na Trui kwam een nichtje dat ook Geertruida genoemd werd, maar verder door het leven ging als Truus.

Moeder Corrie was aan het slot van de negentiende eeuw een van de eerste vrouwelijke studenten. Ze deed biologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en richtte in 1899 met twaalf anderen gezelligheidsvereniging Ontspanning na Studie op, voor de kennismaking tussen damesstudenten. Het was het begin van de UVSV, de vrouwelijke tegenhanger van het Utrechtsch Studenten Corps. Op tennisclub Sphaerinda ontmoette ze USC-bestuurlid en rechtenstudent Alfred. Ze trouwden in 1903. Met hun drie kinderen verhuisden ze in 1917 van de Mauritsstraat naar de Willem de Zwijgerstraat, in het laatste nieuwbouwhuis. Alfred zat als bankier voor de Liberale Staatspartij in de Utrechtse gemeenteraad.

Omslag van het boek over Trui van Lier.

Als gymnasiaste blonk Trui niet uit. Ze had last van een schildklieraandoening, waardoor ze moest kuren in Zwitserland. Als 19-jarige kwam ze in 1934 van het gymnasium af en begon met een studie geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Andermaal werd ze langdurig ziek. In die periode nam de Eerste Kamer een wet aan dat vrouwen in het onderwijs bij een huwelijk mogen worden ontslagen. Trui koos daarna om de richting in te gaan van haar vader en haar vriend Joost: rechten. Ze meldde zich ook bij de UVSV, nam diverse bestuursfuncties aan.

Ze kreeg te maken met twee trieste sterfgevallen: moeder Corrie in mei 1936 en zus Nel in januari 1937. Trui nam haar moeders rol in de huishouding over. Vader Alfred had het heel moeilijk met het verlies van zijn vrouw en dochter.

Er speelde meer en Trui zag er de ernst van in: joden waren in de jaren dertig niet meer veilig in nazi-Duitsland. Ze hoorde er meer over van uit Duitsland en Oostenrijk gevluchte joden die in het telefoonboek naar joodse familienamen hadden gezocht, zoals Van Lier.

Door een van de verhalen kwam ze op een belangrijk idee: 'Ik hoorde ook dat het gebruikelijk was als er joden opgepakt werden en er een baby was, dat er dan Duitse mensen waren – als ik ze mensen mag noemen – die baby's bij de voetjes pakten en met het hoofdje te pletter sloegen. Toen dacht ik: als dat hier komt, wil ik iets voor kinderen doen.'

Op vrijdagmorgen 10 mei 1940 hoorde Trui Duitse vliegtuigen overvliegen. Met haar vader bood ze buurtgenoten schuilplaatsen in de kelder aan de Willem de Zwijgerstraat. Nadat Duitse vliegtuigen pamfletten hadden uitgeworpen met de dreiging om Utrecht te bombarderen, kozen ze er voor om zelf te gaan schuilen in de gewelven onder de Hypotheekbank aan de Drift.

Op 15 mei zag Trui de Duitse soldaten de stad in marcheren op de Biltstraat. Die zelfde dag probeerde Alfred met zijn broer Wim om op een boot naar Engeland te ontkomen, maar dat mislukte. Zo was het een dag eerder ook Trui's oom Ee van Lier, tante Rard, neef Kees en zijn vrouw Bernardina vergaan. Zij waren zo wanhopig geworden dat ze gevieren besloten om een einde aan hun leven te maken. Trui maakte zich zorgen over het lot van haar joodse vader, eenmaal terug op de Willem de Zwijgerstraat.

Ze pakte in september 1940 haar doctoraalstudie rechten weer op, maar zag er de zin niet meer van in, want Nederlands recht gold niet meer, waar de Duitsers hun eigen wetten invoerden. Juist in die tijd begon ook nicht Truus met dezelfde studie.

De zorg voor joodse kinderen werd nu Trui's prioriteit. In de straat achter hun woning was een winkelier in radio's en antennes met zijn handel naar de overkant vertrokken. Voor Trui was Prins Hendriklaan 4 de ideale ruimte om een créche en een kinderpension te beginnen. Ze regelde de vergunningen met burgemeester Ter Pelkwijk, een goede bekende uit haar tijd bij de UVSV. Daarna begon de ingrijpende verbouwing, om plaats te scheppen voor twintig kinderen.

Een van Trui's vrienden had wel een suggestie voor een naam, met een middeleeuws straatje tussen de Slachtstraat en de Neude als voorbeeld: Kintgenshaven. Voor Trui werd het kinderbewaarplaats Kindjeshaven.

Advertentie over de opening van Kindjeshaven, oktober 1941

Er kwam een informatieboekje met een onschuldig, lief logo: een zwaaiend kind, varend in een klompje. Trui nam halverwege 1941 een Fries meisje met een diploma kinderverzorging aan: Jannie Dijkstra. Er was een leeftijdsgrens voor de kinderen: alleen jonger dan zes jaar, om te beginnen met niet joodse kinderen uit de buurt, voor gewone dagopvang. Jannie hield het snel voor gezien. In haar plaats kwam de goed gediplomeerde Jet Berdenis van Berlekom. Trui en Jet hadden direct een prima klik.

Jet Berdenis van Berlekom (1920-2010).

Midden in Utrecht-Oost bevindt Kindjeshaven zich in een wespennest. Het is een wijk die, zoals Terlingen beschrijft 'als nerveus en gespannen wordt ervaren door wie niet aan de kant van de Duitsers staat.' Dat is niet vreemd. Veel Duitse hoofdkwartieren zijn op de deftige Maliebaan beland. Daar staat ook het hoofdkwartier van de NSB, op nummer 35. NSB-leider Anton Mussert woont niet ver weg, vlakbij het Rosarium. Duitse officieren komen schuin tegenover Kindjeshaven borrelen bij Café Parkzicht, het vroegere Café Wilhelmina.

Naast Kindjeshaven is de bakkerij van Pieter Bosch, een fanatieke NSB-er. Het staat op de plattegrond aan het eind van het boek. Dat maakt het voor ook voor mij als voormalige bewoner van Utrecht-Oost allemaal zo herkenbaar. De huizen, het baksteen, de adressen, het is nog te zien: hier gebeurde het. Alleen mocht niemand weten waar Trui en Jet mee bezig waren, behalve de ouders en kinderen waar ze het voor deden, in een ingewikkeld administratief verzetssysteem.

Joodse kinderen werden eerst gebracht en opgehaald, legaal. In augustus 1942 besloot Trui van Lier om voor het eerst twee joodse meisjes illegaal op te nemen: een eeneiige tweeling van dik vier jaar uit Amsterdam, Judith en Debora Schavrien. Ze kregen de schuilnamen Joekie en Deetje. Met de andere kinderen gingen ze gewoon mee uit spelen in het Wilhelminapark. Zij zouden samen het langst blijven, bij een aanzienlijke toename van joodse kinderen.

Steeds is er de spanning. En ook de verwondering, bij mij als lezer. Hoe is het mogelijk dat Trui's werk niet ontdekt werd? Een van haar grootste zorgen was de aangekondigde komst van rechercheur Jan Smorenburg, een fanatieke jodenjager die een joods kind wilde weghalen uit Kindjeshaven. Ze waren getipt door het verzet. Dus moesten ze een plan verzinnen. Jet zou opendoen voor Smorenburg en daarna moest Trui hem op zijn hoofd slaan met een verborgen koekenpan. Smorenburg kwam nooit opdagen.

Trui was fel tegen geweld, anders dan Truus. Op vrijdagmiddag 3 september 1943 schoot de jongere nicht met twee kogels de gehate hoofdcommissaris Gerhard Kerlen dood, vlak voor zijn huis. Een paar weken later las Trui dat Truus in Haarlem was gearresteerd. In verzetskringen werden ze bang dat Kindjeshaven nu op een Duitse inval kon rekenen. Ze begonnen kleine groepen joodse kinderen te verplaatsen. Die inval bleef uit. Er konden weer joodse kinderen binnen komen.

Trui van Lier bij de kinderopvang. Foto: HUA

Opnieuw werd het penibel toen in augustus 1944 een NSB'er in uniform langs kwam.

'Ik kom expres in uniform, je loopt gevaar,' zei hij tegen Trui.

'Waarom dan?' antwoordde ze.

'Dat zal uzelf het beste weten.'

Daags erna kwam hij terug met agenten van de SD. Trui was naar haar vriend Joost in Zeist gefietst. Jet hield zich van de domme. De SD-ers konden niets vinden en dropen af. Trui vertrouwde het toch niet meer, was bang dat de Duitsers haar zochten. Ze nam de naam Geertruida Egeling aan en verborg zich vanaf 1 november 1944 bij Joost in Culemborg.

Het is daarom dat ze de ellende niet meemaakt van de hongerwinter die ook Kindjeshaven trof. De hygiëne ging er snel achteruit en de voedingssituatie werd penibel. Op 27 januari 1945 besloot Jet tot sluiting. Alle kinderen konden elders worden ondergebracht. Joekie en Deetje gingen naar Rotterdam.

Trui had samen met Jet en andere assistentes 150 joodse kinderen gered. Jet kreeg na de oorlog een relatie met een Canadese bevrijder en verhuisde met hem naar Canada. Kindjeshaven was voorbij, maar niet voor Trui. Ze heeft er lange tijd niet over kunnen praten. In 1947 werd ze er heftig aan herinnerd door de belastingdienst. Ze legden haar een navordering op van 3000 gulden, omdat ze hadden becijferd dat Trui te weinig inkomsten had opgegeven.

Ze bleef werken in de zorg, bedacht een rijdend consultatiebureau. In 1957 kwam er een eind aan haar huwelijk met Joost – hij was getraumatiseerd door de oorlog, voelde zich niet gewaardeerd als verzetsman. In de jaren zestig kregen haar zoon Lucas en dochter Joosje zware verkeersongelukken.  Dochter Marijtje overleed in 1964 op 19-jarige leeftijd aan een autoimmuunziekte.

Het naoorlogse leven van Trui was lang niet echt gelukkig. Altijd had ze de angst in zich die ze voelde in Kindjeshaven. In 1982 kocht ze een huis in Friesland. Het bleek de juiste afstand om eindelijk aan verwerking toe te komen. In 1985 kreeg ze daar bezoek van Bert van den Hoed, jonge verslaggever van het Utrechts Nieuwsblad. Het was voor het eerst dat het verhaal van Kindjeshaven meer bekendheid kreeg in Utrecht.

Er volgden onderscheidingen. De belangrijkste was de medaille voor Trui en Jet van de Rechtvaardigen onder de Volkeren van de Israëlisch organisatie Yad Vashem, uitgereikt op 27 april 1993 in Utrecht.  En een late genoegdoening. In 2000 regelde burgemeester Annie Brouwer een schadevergoeding van 30.000 gulden voor de schande van de belastingaanslag uit 1947. Dit werd strikt geheim gehouden.

Trui van Lier overleed op 29 november 2002. In april 2024 vernoemde burgemeester Sharon Dijksma de speeltuin in het Wilhelminapark naar Trui van Lier.

Jim Terlingen heeft ook onderzoek gedaan naar wat Trui en Truus van elkaars werk in de oorlog wisten. Daaruit blijkt dat Jessica van Geel wat al te vrij is geweest in conversaties tussen de twee nichten over Kindjeshaven in haar boek uit 2022 over Truus. Trui kende de feiten over de liquidatie van Kerlen, maar Truus wist niets van activiteiten op de hoek van de Prins Hendriklaan.

De verwarring duurde maar voort. In 1980 verzuchtte Trui: 'Ik kom nog mensen tegen die zeggen: 'Goh, ik dacht dat jij dood was', omdat ze Truus voor mij hebben versleten.' 
  

   

Aanstaande vrijdag is er een boekpresentatie. Het boek, uitgegeven door IJzer, is daar na afloop te koop en vanaf dat moment ook in fysieke en online boekhandels voor 22,50 euro.

Meer info over activiteiten rond de uitgave van het boek: klikhier