Raymond Taams - In mijn vorige Door Een Mens Geschreven Stuk Tekst nam ik, precies dertig jaar nadat hij mij ten overstaan van onze hele 3 VWO-klas op adembenemende wijze vernederde, wraak op mijn voormalige aardrijkskundeleraar door hem rechtstreeks met Hitler te vergelijken.

Hiervoor wil ik Hitler deze week mijn excuses aanbieden, de Führer zal de oortjes wel even spitsen in zijn graf want zo veel publiekelijke spijtbetuigingen ontving hij niet sinds zijn regeringseinde.

Maar goed, verder ben ik nauwelijks haatdragend, ik wens mijnheer Bos het beste, hoewel hij hopelijk allang dood is zodat hij niet nog meer onoplettende vijftienjarigen kan beschadigen.

Ja lieve mensen, het zijn oudtestamentische tijden, oog om oog, tand om tand, ik merk het aan mijzelf, mijn hart schreeuwt voortdurend om wraak, zojuist nog tijdens het oversteken van de weg nabij de Albert Heijn Hoograven.

Kalm slenterend op mijn badslippers in de avondzon, met een zojuist gekochte doos cornflakes onder de arm, liet ik een voor het zebrapad gestopte Volvo duidelijk te lang wachten naar de zin van de middelbare dame met helblond geverfd haar op de passagiersstoel. Niet al te vriendelijk keek ze mij aan, waarop de ergst denkbare verwensingen plotseling naar de voorkant van mijn hersenen schoten, dingen met ziektes, ‘vies oud lijk’, enzovoort, echt pure haat.

‘Treurig’, dacht ik bij mezelf terwijl ik doorliep, ‘voor hetzelfde geld is die mevrouw de liefste oma, of een begripvolle rots in de branding voor heel haar omgeving, slechts omdat zij mij een milliseconde verkeerd aankeek, bestempel ik haar nu tot aidshoer of iets dergelijks’.

Zeker, beste lezer, ook ik denk soms zulke erge woorden, dat zit er achter de façade van menslievende schrijver van Door Een Mens Geschreven Stukken Tekst, het is zeer ontnuchterend.

De enige verzachtende omstandigheid waarop ik mij kan beroepen, is de almaar toenemende anonimiteit in onze groter en drukker wordende stad. Tel daarbij op de hypernerveuze samenleving waarover de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving vorig jaar een rapport publiceerde, en u heeft hopelijk mededogen met mij.

Het zou natuurlijk ook kunnen dat mijn aardrijkskundeleraar het dertig jaar geleden als enige juist zag: ik ben slecht.