Raymond Taams - Op een vroege dinsdagmorgen zat ik op een bankje tegenover de nog gesloten Mediamarkt op Hoog Catharijne. ‘Mijn dood wordt pijnlijk, maar misschien ook wel helemaal niet’, begon mijn hoofd onwillekeurig orde te scheppen in de ervaringen die nog voor mij lagen.

Over een kwartier werd ik verwacht bij de ondertekening van het zogenaamde 'broedplaatsenconvenant' in het stadskantoor, daarna zou ik nog een bepaalde tijd leven, één dag, wederom vijfenveertig jaren, wie zou het zeggen.

Na vijf minuten peinzen stond ik met een opgeruimd gevoel op, wandelde onder het bollendak en langs het centraal station richting het gemeentekantoor, waar ik de lift nam naar de zesde etage. Ik weet niet waarom ik dit allemaal zo precies noteer, u heeft er geen reet aan, hoewel, nee, het is eigenlijk logisch, u en ik houden van orde, overzicht, enzovoort.

In dit chaotische universum geeft een keurig aangeharkte voortuin de illusie van controle, dat de buren het onkruid laten woekeren is hun eigen verantwoordelijkheid, u heeft de zaken op een rij. Toch zijn u en de buurman nog altijd precies even kwetsbaar voor elk noodlot dat een mens kan treffen, daar helpt geen perfect gesnoeide heg tegen.

Omdat onze stad steeds meer op een aangeharkte tuin lijkt, lobbyde ik de afgelopen maanden driftig voor meer broedplaatsen, rafelranden, kunstenaarswerkplekken of hoe je ze ook wilt noemen. Kleurrijke, rommelige oases in het straatbeeld stimuleren de menselijke creativiteit en zorgen voor  ongedwongenheid en menselijke maat.

Gelukkig mag ik in dit Door Een Mens Geschreven Stuk Tekst opschrijven dat maar liefst drie wethouders een broedplaatsenconvenant ondertekenden, het stadsbestuur vindt het onderwerp wezenlijk.

Aangezien ik van plan ben de rest van mijn dagen in Utrecht te slijten, zal ik gemeentepolitici regelmatig herinneren aan het felgele, tien pagina's tellende document met de krabbels van Eva Oosters, Suzanne Schilderman en Dennis de Vries. Het gaat om niets minder dan de ziel van onze stad lieve mensen.