Raymond Taams - De vaart der volkeren was duidelijk voelbaar toen ik op de eerste maandag van maart 2026 met een kop koffie plaatsnam op een verweerde fauteuil in de tuin van mijn vriendin, die op steenworp afstand van de singel een knus rijtjeshuis bewoont.

Onder een strakblauwe hemel klonken uit meerdere hoeken bouwgeluiden, Utrecht leek volledig op de schop genomen te worden door boorinstallaties, zaagmachines en mannen in oranje hesjes die vers gelegde straatstenen machinaal egaliseerden. 

Terwijl ik knipperend met mijn ogen tegen de zon een slok koffie nam, klonk het luchtalarm. Voor de zekerheid keek ik of het middaguur op de eerste maandag van de maand zojuist geslagen had, je weet het tegenwoordig niet door alle spanningen.

Een felrode kater beklom soepel de houten balken van de schutting, om zich vervolgens uit te strekken op het naastgelegen schuurdak, ik dacht aan de uitspraak van een Amerikaanse journalist uit 2017, het eerste jaar dat Trump president was.

‘Als verslaggever voel ik me een kat op een heet, tinnen dak’, zei hij, doelend op het duizelingwekkende tempo waarin de opwellingen van The Donald elkaar opvolgden. Kalm reflecteren in de tuin met een kop koffie werd hem blijkbaar niet meer gegund.

Het was inmiddels vijf minuten over twaalf, opgejaagd door bouwgeluiden en cafeïne zocht ik binnen naar een schrijfblok om zittend in de verweerde fauteuil, nippend van mijn koffie, met een gefocuste blik aantekeningen te kunnen maken.

Buren zouden zien dat ik mij niet onttrok aan het arbeidsproces dat zich auditief zo nadrukkelijk manifesteerde, voor hetzelfde geld noteerde ik bovendien een briljante openingszin voor mijn zevenentwintigste Door Een Mens Geschreven Stuk Tekst.

Ik dacht aan mijn vader en moeder, die ook altijd zo hard werkten en nu alweer tientallen jaren respectievelijk begraven en uitgestrooid lagen te zijn. Hoeveel maandagen had ik zelf eigenlijk nog?