Binnendijk – Utregdikkies (9)
Gepubliceerd: zaterdag 2 augustus 2025 08:00
In 1967 ging Dik Binnendijk in Utrecht biologie studeren. Twee jaar later kwam hij ook echt in de Domstad wonen. De universiteit was toen nog bijna volledig gevestigd in panden in de stad. In de onregelmatig verschijnende serie ‘Utregdikkies’ schrijft Dik over persoonlijke herinneringen die gekoppeld zijn aan straten, buurten, gebouwen, gebeurtenissen, mensen en dieren in de stad.
“Wat is die idioot daar aan het doen?’ zullen de buschauffeurs zich ongetwijfeld hebben afgevraagd. Tweemaal reed er een bus langs toen ik op het randje gras liep bij de hoge groene afscheiding van de begraafplaats Tolsteeg en de busbaan die de Amethistweg heet. Deze busbaan loopt van de Robijnlaan in de wijk Hoograven tot onder de Waterlinieweg en gaat daarna als de Brennerbaan de wijk Lunetten in.
In die smalle groenstrook was ik op zoek naar eventuele restanten van het Genetisch Instituut dat tegen de begraafplaats aan lag. Het instituut was eind jaren zestig/begin jaren zeventig ondergebracht in een houten noodschool. Tussen de Opaalweg en het instituut was een brede grasstrook. Die strook is er nu nog. In het midden is een wandelpad. Maar ook daar leverde mijn zoektocht niets op.
Vanaf september 1972 deed ik bij het Genetisch Instituut mijn negenmaands hoofdvak Genetica. Vrij kort nadat ik daar klaar was, is het Genetisch Instituut naar de Uithof verhuisd. Het houten gebouw is nog een paar jaar gebruikt voor studentenhuisvesting.

In Utregdikkies (8) schreef ik dat ik een paar jaar geld verdiende als student-assistent bij het practicum Genetica. Voor mijn doctoraal (nu master) wilde ik alleen maar onderwerpen gaan doen die iets met het milieu te maken hadden. Genetica zat daar niet bij.
Begin jaren ’70 was het thema milieu erg in. Als ik even flink overdrijf, probeerde elke wetenschapper aan zijn of haar onderzoek een milieupoot te schroeven en hoopte zo een deel van het geld dat aan het thema milieu vastzat, binnen te hengelen. Dat gold min of meer ook voor prof. dr. Wim Scharloo (1928-2004), hoogleraar Erfelijkheidsleer. Hij kende mij door het practicum en wist dat ik actief was op milieugebied. Het lukte hem om me over te halen om bij zijn vakgroep een hoofdvak te gaan doen.
Scharloo wilde me laten onderzoeken of je kon aantonen of fruitvliegen (Drosophila melanogaster) waren opgegroeid in een schoon of in een vervuild gebied. De fruitvliegen in een vervuild gebied zouden wellicht in hun lichaam stoffen hebben die de schoongebied-vliegen niet hadden. Dat kon je bepalen met de techniek van (gel)elektroforese. Als je dat kon aantonen, dan zou je volgens Scharloo ook via fruitvliegen kunnen gaan bepalen of een gebied vervuild of schoon was. Een redelijk theorie, maar de praktijk was anders.
Zoals ik al in Utregdikkies (8) heb verteld moest ik bevruchte D. melanogaster vrouwtjes vangen in schone en vervuilde gebieden. De nakomelingen van elk bevrucht vrouwtje kon ik opkweken tot een aparte fruitvliegpopulatie. En dan kon ik ‘schoon’ en ‘vervuild’ met elkaar gaan vergelijken.
Maar zover is het nooit gekomen. Begin oktober begon het al te vriezen. Zodra het te koud is, zijn de fruitvliegen verdwenen. Uiteindelijk heb ik maar één bevrucht vrouwtje - mijn oermoeder Amelisweerd Pot 1 - kunnen vangen in het ‘schone’ Amelisweerd bosgebied. Via haar kroost is mijn Amelisweerd-populatie ontstaan. En daar kon ik wel mee gaan experimenteren.
Gelelektroforese
Ik noemde hierboven al (gel)elektroforese. Dat is een laboratoriumtechniek die wordt gebruikt om moleculen, zoals DNA of verschillende eiwitten, te scheiden op basis van hun grootte en elektrische lading. Het principe is dat moleculen onder invloed van een elektrisch veld door een gelplaatje bewegen. Kleinere moleculen bewegen sneller en komen verder dan grotere moleculen. Dat zie je allemaal terug in een bandenpatroon.

Wat moet je doen? Je vangt in de populatie een fruitvlieg. Deze verdoof je met ether en daarna ga je de vlieg fijnstampen met een elektrisch aangedreven stampertje. We noemden dat ‘Drosophila’s potteren’. Zo kwamen de stoffen uit het vliegje vrij. Met een pipet werd een druppel van die vloeistof op de aanloopstrook van de gelplaat gebracht. Het gelplaatje was zo breed dat je druppels van in totaal tien geplette vliegen naast elkaar kon pipetteren. Dan zette je het elektrisch veld aan en kreeg je na zo’n 45 minuten een bandenpatroon. Tegenwoordig zou je dat patroon fotograferen. Toen tekende ik het patroon na op een systeemkaartje.
Scharloo zelf bemoeide zich nauwelijks met mijn onderzoek. Mijn directe begeleider was ene Simon (niet zijn echte naam), die op het gebruik van gelelektroforese wilde gaan promoveren. Welke samenstelling van het gel geeft het beste en het duidelijkste bandenpatroon?
Een nadeel was dat het bandenpatroon van gel met samenstelling A niet te vergelijken was met het bandenpatroon van gel B of gel C. Ik moest juist het bandenpatroon van verschillende fruitvliegpopulaties met elkaar vergelijken. Dat kan alleen als je continu dezelfde gel gebruikt. Van Simon moest ik telkens andere gels uitproberen. Goed voor hem, niet goed voor mijn onderzoek, maar ik durfde geen ‘nee’ te zeggen.
Aan het eind van mijn hoofdvakperiode had ik een stapel systeemkaarten met een bandenpatroon erop, waar ik in feite geen flikker mee kon doen. Die stapel verdween voor een paar jaar in mijn klerenkast. Pas in 1978 heb ik mijn eindscriptie genetica ingeleverd. Het werd een klein zesje geloof ik, terwijl de andere vakken gewone of dikke voldoendes waren. Begin 1979 studeerde ik af als bioloog.
Wat mij altijd bij zal blijven zijn twee geuren. De eerste is de geur van de ether, waarmee ik de Drosophila’s moest verdoven. De andere is de wat zurige geur van de voedingsbodem in de kweekflesjes en kweekkooien. Op de bodem leggen de vrouwtjes hun eitjes en diezelfde bodem is - na hun geboorte - het voedsel voor de jonge fruitvliegmaden.
Ik heb de Drosophila pas ‘bewust’ leren kennen op de universiteit. Mijn neef Gideon vertelde me ooit op een verjaardag van mijn zus Petra (zijn schoonmoeder) dat hij die Drosophila’s bij de biologieles op de middelbare school zelf had moeten kweken. Hij is zo’n 35 jaar jonger als ik. Op internet kun je nu ook allerlei verslagen vinden van scholieren over hun experimenten met de fruitvlieg. Dit is een duidelijk voorbeeld van dat universitaire kennis ook echt doorsijpelt naar de middelbare scholen.