Binnendijk - Utregdikkies (11)
Gepubliceerd: zaterdag 27 december 2025 00:55
In 1967 ging Dik Binnendijk in Utrecht biologie studeren. Twee jaar later kwam hij ook echt in de Domstad wonen. De universiteit was toen nog bijna volledig gevestigd in panden in de stad. In de onregelmatig verschijnende serie ‘Utregdikkies’ schrijft Dik over persoonlijke herinneringen die gekoppeld zijn aan gebouwen, straten, buurten, gebeurtenissen en mensen in de stad.
‘Na mijn bezoek aan het Universiteitsmuseum Utrecht (UMU) ging ik de Oude Hortus in. Daar heb ik ook veel stappen liggen.’ Zo eindigde ongeveer Utregdikkies (10). Dat waren geen bewuste stappen, die kwamen pas later. Misschien kan ik beter zeggen: heel wat - ook onbewuste - fietssporen.
De Oude Hortus (of de Botanische Tuinen) ligt tussen het UMU-pand aan de Lange Nieuwstraat en de Nieuwegracht. De hortus is door een hek afgesloten van de Nieuwegracht. Dat hek is nu normaal dicht, maar in mijn studententijd stond het hek op werkdagen overdag open. Wij, fietsstudenten, gebruikten de hortus als achteringang naar het Botanische Laboratorium (Botlab). We reden dan over de grintweg langs de kassen naar de fietsenstalling bij het hoofdgebouw.
Of die fietsenstalling alleen uit klemmen bestond of dat die overdekt was, ik zou het niet meer weten. Na het college fietsten we de tuin weer uit. Zelfs aan dat regelmatige fietstochtje door de tuin heb ik geen enkele herinnering. Even rustig door de hortus lopen daar hadden we geen tijd voor. Of beter gezegd daar nam ik geen tijd voor.

Pas later - tijdens het practicum Plantenfysiologie dat ’s middags werd gehouden - liep ik zo nu en dan wel door de hortus heen. Ongetwijfeld was dat met een andere biologiestudent, die meer van planten en dieren afwist dan ik. Ik wilde toen al biologie met scheikunde doen.
Ik heb nog vage beelden dat we aan de rand van de vijver in het water keken op zoek naar salamanders. In de kas herinner ik me vooral de Victoria amazonica, de Zuid-Amerikaanse reuzenwaterlelie, die in de zomermaanden bloeit. Elke bloem bloeit slechts twee nachten en gaat overdag dicht. De eerste bloeinacht is de bloem wit, de tweede bloeinacht is de bloem roze geworden. Ik ben een keer ’s avonds laat naar die bloeiende bloem gaan kijken. Er werd reclame voor gemaakt in de krant; ik was dus niet de enige.

De eerste bloeinacht ruik je een sterke ananasgeur. Met die geur worden kevertjes gelokt die voor de verspreiding van het stuifmeel moeten zorgen. De tweede bloeinacht is die geur er niet meer, maar de insecten komen nog wel. De bladeren op het water kunnen zo’n twee meter breed worden en hebben een draagvermogen tot wel veertig kilogram. Ik herinner me dat iemand ooit zei, dat zo’n blad gemakkelijk een baby kan dragen. Ik heb het nooit in het echt gezien.
Dat de Hortus Botanicus vanaf 1963 al begonnen was met het verhuizen naar de Uithof, daar merkten we nog niets van. Toen in 1987 de laatste collectie aan planten uit de kassen naar de Uithof verhuisd was, was dit het einde van de wetenschappelijke functie van de inmiddels tot de Oude Hortus omgedoopte Botanisch Tuinen. De hortus raakte steeds meer in verval, de vijvers groeiden dicht en het terrein werd vooral gebruikt als parkeerterrein. De buurt klaagde daar ook over.
Vanaf 1991 is het de Stichting Vrienden van de Oude Hortus gelukt om de verdere verloedering van de tuin te voorkomen. En toen het Universiteitsmuseum in 1996 het oude Botlab betrok, begon het nieuwe, tweede leven van de tuinen echt. Je kunt via het museum de hortus bezoeken.
De auto’s en de fietsen zijn verdwenen. De tuinen zijn hersteld en ook uitgebreid door de sloop van een aantal oude gebouwen. De dichtgegroeide vijvers zijn weer uitgegraven en in ere hersteld. Ook zie je weer salamanders in het water. De in 1907 gebouwde (broei)kassen zijn in 2007 grondig gerenoveerd en weer in gebruik genomen. Als ik door het glas naar binnenkijk, zie ik de reuzenwaterlelie. Zou het een jonkie van de oude zijn?
Ik ben om de vijver heengelopen en ik heb stilgestaan bij de nu twee kale Japanse notenbomen in de tuin: de Ginkgo biloba. Je hebt mannelijke en vrouwelijke ginkgobomen. De oudste van de twee is mannelijk en 270 jaar oud. Dit is één van de oudste ginkgo’s buiten Japan. Rond 1830 is op zo’n tien meter hoogte op de stam een tak van een vrouwelijke boom geënt. In de herfst kun je die tak goed zien omdat de bladeren een paar weken later verkleuren dan de rest van de boom. De tweede ginkgo staat aan de andere kant van de vijver en is 150 jaar oud.

Er zijn nog meer bijzonder bomen of struiken in de hortus. Zo staat er ook een kweepeer. Ik heb een paar weken geleden een flesje met zelfgemaakte kweeperengelei gehad van Peter, een vriend van me. Dus ik maak een foto van de boom en het bordje en appt hem dat later. Op het bordje staat dat deze kweepeer in 1990 was overgebracht van het terrein van het oude Farmaceutische Laboratorium (Catharijnesingel 60) naar de Oude Hortus. De boom stond in de weg toen het oude lab daar werd gesloopt en er nieuwbouw kwam. Op die plaats staat nu het kantoor van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
De kweepeer heeft een paar jaar aan zijn nieuwe plek moeten wennen, maar nu draagt hij elk najaar veel grote, peervormige vruchten. De volgende tekst staat op het bordje: ‘De gelige kweeperen zijn rauw niet eetbaar vanwege de steencellen in de vrucht. Hierdoor is de kweepeer minder geliefd dan andere perenbomen en komt deze soort nog maar weinig voor. De vruchten zijn wel geschikt om gelei, jam en desserts mee te maken. Een rijpe kweepeer geeft een zoete geur af.’
Peter vond die kweeperenfoto wel leuk maar viel over de tekst. “De kweepeer is helemaal geen perenboom, maar behoort tot de rozenfamilie.” Oef, een foutje... en dat in de hortus van het voormalige Botlab. Maar eerlijk gezegd wist ik het ook niet. En zo heb ik weer wat geleerd!
