Binnendijk – Utregdikkies (10)
Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2025 08:00
In 1967 ging Dik Binnendijk in Utrecht biologie studeren. Twee jaar later kwam hij ook echt in de Domstad wonen. De universiteit was toen nog bijna volledig gevestigd in panden in de stad. In de onregelmatig verschijnende serie ‘Utregdikkies’ schrijft Dik over persoonlijke herinneringen die gekoppeld zijn aan gebouwen, straten, buurten, gebeurtenissen en mensen in de stad.
In de collegezaal van het Botanisch Laboratorium (Botlab) - Lange Nieuwstraat 106 - heb ik als eerstejaars student biologie (1967/68) verreweg de meeste colleges gehad. Die collegezaal bestaat niet meer. Dit deel van het lab is in de jaren negentig afgebroken en vervangen door nieuwbouw met veel glas. Daar is de ingang van het Universiteitsmuseum Utrecht (UMU), dat in 1996 naar het verbouwde Botlab is verhuisd.
Bij Het Utrecht Archief (HUA) vond ik nog een foto van die collegezaal bij daglicht. Maar zo kende ik die zaal niet. Tijdens de colleges waren de ramen altijd aan beide kanten met rolgordijnen geblindeerd. Bij mijn eerste bezoek aan het UMU herinner ik me nog dat er paar klapstoelen uit die oude collegebanken ergens tentoongesteld stonden. Toen ik afgelopen woensdag (10 december) het UMU weer eens bezocht, heb ik dat stukje oude collegebank niet meer gezien. Volgens de receptioniste stonden die klapstoelen misschien nog in de opslag.

Vrij lang was de collegezaal en de hal ervoor de enige plek in het Botlab waar ik kwam. Na het college ging je weer weg naar de volgende locatie waar je college had; of ging je warm eten in de Mensa of fietste je naar de Uithof voor een practicum.
Ik herinner me vier of vijf personen die les hebben gegeven in de collegezaal van het Botlab. Ongetwijfeld zullen het er meer geweest zijn. In juli heb ik al geschreven over lector Zoölogie dr. J.P. Kipp, een boeiend en enthousiast verteller.
Een andere lector die ik me goed herinner is dr. H.P. Bottelier (1910-1996). Hermanus Pieter Bottelier was in mijn tijd lector in de Algemene Plantkunde. Later is hij benoemd tot hoogleraar, maar toen kwam ik hem niet meer tegen.
Op zich gaf hij wel goed college (denk ik). Maar wat ik me vooral herinner is dat Bottelier een ontzettende hekel had aan mensen die te laat de collegezaal binnenkwamen, dus als hij al met zijn college was begonnen. Je werd dan door hem uitgekafferd. Dat gebeurde zeker als je al eens eerder te laat was geweest en hij je herkende. Het hielp, want je zorgde de volgende keer er wel voor om niet te laat te zijn.
Ik herinner me ook nog een keer een woedende reactie toen Bottelier min of meer aangaf dat hij voor die ochtend een eind wilde breien aan z’n college. Ten minste dat begrepen wij zo. Wij studenten klapten - min of meer als één persoon - onze ringbanden dicht waarin we onze aantekeningen maakten. Die herrie kwam dus te vroeg! Bottelier sprong bijna uit zijn vel. Een tirade volgde en daarna ging hij - om ons te pesten - nog tien minuten door met het college.
Zijn naam leeft nog voort binnen het botanisch onderzoek in ons land in het Fonds Stipendium Bottelier. Na zijn dood liet Bottelier een flink bedrag achter dat wordt beheerd door de KNBV, de Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging.
Studenten of promovendi kunnen er een beroep op doen voor een tegemoetkoming in de kosten voor wetenschappelijk onderzoek van celbiologie tot ecologisch veldonderzoek tot een maximum van 750 euro.
Op de eerste en tweede verdieping loop ik door de gangen van het UMU-gebouw. Het is erg rustig. Bij een vorig bezoek herinner ik me dat er vooral veel herrie-makende kinderen waren, die in een paar zalen allerlei ‘wetenschappelijke’ proefjes deden. Nu is er alleen een kinderpartijtje aan de gang voor een stuk of tien vijf- of zesjarigen. Twee UMU-begeleiders helpen de kinderen bij het maken van papieren parachutes. In de trappenhal kijken ze hoe mooi die parachutes naar beneden ‘zweven’. “Ik was het eerst beneden!” roept een meisje en ze rent de trap af.
Zo lopend door de gangen aan de achterkant van het gebouw herinner ik dat ik ook een of twee maanden een plantenkundig practicum heb gehad. Toen kwam ik ook in andere delen van het Botlab. Dat was eind eerste of begin tweede studiejaar. Volgens mij was het plantenfysiologie, de wetenschap die ‘levensverrichtingen’ van planten bestudeert. Dus denk bijvoorbeeld aan: ademhaling, fotosynthese, waterhuishouding of groei. Wat ik gedaan heb, geen idee meer.
De naam ‘Blaauw’ schiet me ineens te binnen. Dat was een echtpaar dat samen hetzelfde onderzoek deed op het Botlab. Na een half uur zoeken op internet kom ik hun namen tegen: O.H. Blaauw en G. Blaauw-Jansen. Ze deden onder meer onderzoek naar haver en de invloed van het rode licht op de kiemende plantjes. Ik heb vooral met Blaauw te maken gehad. Een verhaal van O.H. in de collegezaal kan me niet herinneren, maar ik denk dat hij verantwoordelijk was voor ‘mijn’ Botlab-practicum.

Tussen de middag kwamen altijd hun kinderen op het Botlab langs om met pappa en mamma een boterham te eten. De roddel ging dat ze ’s avonds thuis ook brood kregen en dat er nooit een warme maaltijd op tafel kwam. “Ze zouden toch ‘s avonds naar de Mensa kunnen gaan: voor hun warme hap,” heb ik toen ooit wel eens gedacht.
Mijn gevoel zegt me dat het aardige mensen waren, maar toch waren ze toen een soort gruwel voor me. Ik zou nooit zo’n relatie willen hebben: pa en ma werken samen, familie continu op Botlab. Waar praat je dan thuis over... over het werk natuurlijk! Vreselijk!
Maar, wat een bekrompen en benauwende gedachte over zo’n relatie had ik toen als achttien- of negentienjarige, terwijl ik het voorbeeld voor mijn neus had. Mijn ouders waren boer en boerin en werkten samen op de boerderij. Natuurlijk spraken ze regelmatig over het werk, maar ook over veel andere dingen. Blijkbaar realiseerde ik me dat toen nog niet. Juist op het werk raken regelmatig mensen verliefd op elkaar en worden een koppel. Zo zal het vast ook met de Blaauwtjes zijn gegaan. Verliefdheidgevoelens op het werk ken ik zelf ook wel; één keer heeft dat tot een wat langere relatie geleid.
Na mijn bezoek binnen ging ik de Oude Hortus in, die achter het UMU ligt richting de Nieuwegracht. Daar had ik ook veel stappen liggen. Wordt vervolgd.