SCHRIJVERSPLEKKEN in Utrecht deel 3: Henny Marsman. Rubriek van Willem Geijssen. 

Hendrik (Henny) Marsman [Zeist – Noordzee 21 juni 1940] bezocht na zijn lagere schooljaren de Rijks-HBS aan de Kruisstraat in Utrecht. Daarna begon hij een studie Rechten, eerst in Leiden, later in Utrecht en woonde toen in de Ramstraat 29. Hij debuteerde al op jonge leeftijd, in 1919, in het tijdschrift Stroomingen en daarna in De Nieuwe Amsterdammer.

Henny Marsman

Na 1936 verliet hij Utrecht. Het huis aan de Oudwijkerlaan, waar hij toen woonde, werd kort daarna gesloopt. Maar hij bezocht de stad nog geregeld: ‘Al was het alleen maar om te zien of de Dom er nog stond.’

-

De man van wien ik dit verhaal vertel

keerde voor kort naar zijn geboorteland;

't wordt nu een jaar dat hij zijn intrek nam

boven het vredig makelaarskantoor

dat op den hoek tussen twee grachten ligt…

(Uit: Tempel en kruis, 1940)

Deze beginregels van ‘Tempel en Kruis’ hebben het misverstand doen ontstaan dat Marsman daar gewerkt zou hebben, namelijk tussen de Nieuwegracht en de Kromme Nieuwegracht, maar dat was in werkelijkheid aan de Domstraat 8, waar van 1931 tot 1936 advocatenkantoor C. den Besten & H. Marsman zat. Als je de hele cyclus van Tempel en Kruis goed leest kun je strofe voor strofe lopend volgen in de Utrecht.

Domstraat. Foto: W. Geijssen

Marsman hield van de stad en voelde zich met het ‘muffe’ Utrecht verbonden, maar spaarde het niet voor zijn kritiek, waarvan de tekst op het pand aan de Domstraat 8 getuigt (eerste drie regels van onderstaand gedicht). Onderstaand vers, zonder titel, uit 1935, werd alleen in het tijdschrift De stem gepubliceerd. In zijn geheel luidt het als volgt:

Geen stijl, maar des te meer karakter heeft de stad,

een harde en benepen eigenzinnigheid,

die zich de maat van alle dingen waant;

een stugge sfeer, vol plotselinge volten-

de pleinen liggen meest terzijde van 't verkeer,

dat, saamgeperst in zulke smalle geulen,

dat reeds een sandwichman zijn houten vlerken schuurt,

chronisch aan spijsverteringskrampen lijdt,

nergens ter wereld

heeft een kleinburgerlijker actualiteit

zich zo voornaam versierd met het tot op den draad

versleten goudbrokaat der middeleeuwen,

nergens ook kraait de haan der mediocriteit

zo oerparmantig koning;

want waar men gaat of staat,

hier wordt men, graag of niet, gelijkgeschakeld in

een net van onverwrikbre middelmatigheid.

wie langs de singels en de wallen gaat

krijgt sterk de indruk, dat de banken daar

voornamelijk zijn gesticht

als dépendance van 't oudemannenhuis

en voor 't gedobber van een kinderkar.

voorts vindt men nougatkramen,

bij voorkeur niet te ver verwijderd van een urinoir;

stadwaarts kruist men na de spoorweg de Maliebaan,

een baan, zo doods en leeg,

alsof hij enkel zondags wordt begaan

door het boetvaardig regiment der hoge hoeden;

want wat men ook in 't nadeel zeggen kan

van dit verpaapte china,

die woestenij der anonymiteit met zijn intieme oasen,

niet dat de godsdienst er niet welig tiert,

noch dat op haar gelaat niet met praedestinatieletters staat:

‘de heer is mijn banier’.

-

In zijn autobiografische roman 'Zelfportret van J.F.' vermeldt Marsman het volgende: ‘Ik had een bijzondere voorkeur voor het dode stuk bij de Agnietenstraat, en dromend liep ik langs het slapende water tussen de stille huizen en de kruinen der bomen, beneden op de werf. Aan het eind van de gracht stond ik een ogenblik stil voor Paushuize, op de mooiste vijfsprong van de stad. Ik liep de Trans door en sloeg bij het Wed nog een blik op de kerk, een geweldig voorwereldlijk rotsblok in de langzaam vallende avond.’

Marsman was populair bij de vrouwen, maar zijn relaties duurden nooit erg lang. Opvallend is dat in die jaren veel vrouwen werden ‘overgenomen’ door collega-schrijvers en vrienden. Zo trouwde zijn goede vriend E. Du Perron met de schrijfster Elisabeth (Bep) de Roos, een ex van Marsman in het midden van de twintiger jaren. Zij was sterk op alle fronten. Niet alleen was zij scherp in haar geschreven stukken, waaronder veel recensies, maar was zij ook nog eens bloedmooi.  

Portret van Charley Toorop

Ook Marsmans jeugdvriend Arthur Lehning kreeg een relatie met een van zijn exen, namelijk de schilderes Charley Toorop, die hierover zegt: ‘Het is altijd weer dat: strijd tussen vrijen en werken. Samen gaat haast niet- bij mij tenminste; strijd tussen vrouw zijn en scheppende werken.’ In een brief uit juli 1924 schrijft zij:‘We zullen werken, dat vooral, en vrijen. Maar 't beroerde is dat als ik werk (goed bezig ben tenminste) ben ik niets gezellig.’

Portret van Rien Barendregt

Marsman had een hekel aan hele vrouwelijke types en hij trouwde in 1929 uiteindelijk met de onderwijzeres Rien Barendregt. Onder zijn vrienden werd zij de sergeant genoemd. Om te voorkomen dat hij van zijn werk werd afgehouden hield zij het bezoek van de deur van hun bovenwoning aan de Oudewijkerlaan. Sommige lezers willen dit wellicht liever niet weten, maar een po in de hoek van de werkkamer diende dit zelfde doel, zodat de dichter niet zijn dichterlijke bezigheden hoefde te onderbreken voor toiletbezoek.

Wel onderbrak Marsman zijn werk geregeld om lange fietstochten te maken door het rivierenlandschap richting het Beusichemse veer aan de Lek. Wellicht haalde hij daar de inspiratie uit voor zijn beroemdste en bekendste gedicht Herinnering aan Holland:

Enkele regels uit Marsmans beroemdste gedicht. Foto: Willem Geijssen

Toen Rien Marsman ongewenst zwanger werd wendde het echtpaar zich tot collega en vriend A. Roland Holst die altijd wel iets wist te regelen in dit soort gevallen, aangezien hij zelf ook geregeld een vrouwspersoon ongewild bezwangerde. Zo gaan die dingen.

Ondanks voortdurend geldgebrek maakte het echtpaar in de jaren ‘30 lange reizen door Europa. Veelal werd dat betaald door mecenassen. Grote frustratie voor Marsman was dat hij werd genomineerd voor vele prijzen die hij echter nooit won, door vriendjespolitiek, daarvan was hij wel overtuigd.

Hij besloot, geplaagd door depressies, uiteindelijk te stoppen met dichten en zich te wijden aan het schrijven van romans, met wisselend succes. In 1933 - De dood van Angèle Degroux en in 1935 Zelfportret van J.F. In 1936 schreef hij samen met Simon Vestdijk - Heden ik, morgen gij.

Pas aan het eind van de jaren ‘30 kreeg hij de smaak van het dichten weer te pakken en dat resulteerde in zijn laatste bundel Tempel en Kruis uit 1940.

Portret van het schip de Berenice. 

Na de Duitse inval in het westen in 1940 trachtten Henny en Rien Marsman vanuit Frankrijk naar Engeland te vluchten. Maar hun schip, de Berenice, werd gebombardeerd of getorpedeerd, dat blijft onduidelijk, en verging in Het Kanaal.

Rien liep ‘slechts’ een verbrijzelde voet op omdat zij zich bovendeks bevond. Henny Marsman overleefde het niet. Het bericht van zijn dood drong pas weken later door in het bezette Nederland omdat Rien in een Engels ziekenhuis verbleef en contact met het vaderland onmogelijk was. Heel Nederland was geschokt.

D.A.M. Binnendijk schreef over de dood van Marsman:

‘Hij stierf op zee, bij water en bij vogels’ en Gerrit Achterberg schreef:

…‘Geef hem een tempel om naar toe te vluchten.

Een kruis om het te kussen, als het moet.

…Misschien dat eens de parelvissers van Bizet hem vinden,

Zooals hij neerligt op de bodem van den Oceaan.’

Gebruikte bronnen:

Querido's Letterkundige Reisgids van Nederland, 1982

Zee, berg, rivier. Het leven van H. Marsman, door Jaap Goedegebuure, 1999

Zie ook: http://www.hetliteratuurhuis.nl/literair-utrecht/utrechtse-canon/auteurs/554/