Door Jim Terlingen - In de meidagen staat ook Utrecht stil bij de Tweede Wereldoorlog. Doden worden herdacht en de bevrijding wordt gevierd. Eén verhaal is echter nog maar amper verteld: wat gebeurde er na de bevrijding in de Utrechtse kampen, waarin ‘foute Nederlanders' werden vastgezet?

Utrecht had net buiten de stad twee van dit soort kampen. Meteen na de oorlog werd Fort de Bilt ingericht
 als bewarings- en verblijfkamp voor leden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) en anderen die verdacht werden van ‘hulpverlening aan de vijand’. Het Fort, gelegen ten oosten van de Biltstraat, was een beladen plek, aangezien het tijdens de oorlog een executieplaats waar door de Duitse bezetters verzetslieden werden omgebracht.

In oktober/ november 1945 was het tweede interneringskamp gereed: Kamp Rhijnauwen. Op een weiland langs de Weg naar Rhijnauwen, op grondgebied van de gemeente De Bilt, waren in allerijl houten barakken geplaatst, omringd door prikkeldraad, met op de hoeken vier wachttorens.

Over deze twee Utrechtse kampen was tot tien jaar geleden maar heel weinig bekend. Toen verscheen een boekje waarin de oud-kampcommandante van Fort de Bilt, mevrouw Hijink-Rijnders, haar verhaal deed.

In de eerste periode na de bevrijding zaten in Fort de Bilt vooral mannen gevangen. Toen enkele maanden later Kamp Rhijnauwen klaar was, gingen alle mannen daarnaartoe en werd Fort de Bilt een vrouwenkamp, tot 
de sluiting in 1946. In totaal zaten er duizend vrouwen gevangen, onder 
wie de vrouw van NSB-leider Anton Mussert.


Kamp Rhijnauwen is tot op heden een blinde vlek in de Utrechtse geschiedenis. Zelfs zo, dat het in publicaties nog wel eens wordt verward met 
het gelijknamige fort (dat 500 meter verderop lag en ligt). Er zijn ook geen foto’s van. Bekend is alleen een tekening van K. Braak (zie illustratie). 
In het Nationaal Archief in Den Haag zijn onder strenge voorwaarden stukken in te zien over dit kamp. Daaruit blijkt dat ook daar rond de duizend mensen vastzaten, waarvan veel uit Utrecht. Het werden er gedurende de jaren wel steeds minder. De laatste ‘politieke delinquent’ verliet het kamp in januari 1948.


Een bekende gevangene was Charles Quéré, tijdens de bezettingsjaren
 als NSB’er wethouder in Utrecht. Rondom hem ontstond een van de vele incidenten. Quéré zou daar via de kampcommandant zulke interessante architect-klussen gekregen hebben dat de Utrechtse architecten klaagden over broodroof.

Spanningen
Een ander verhaal, dat sommige ouderen zich nog zullen herinneren, is dat in de zomer van 1947 het nabijgelegen openluchtbad aan de Kromme Rijn, De Timp, dicht bleef. Het zwemwater was verontreinigd door “het vuile waswater, het vuil uit de latrines en meer onreinheden van het kampterrein”. Een idee om het kamp te verplaatsen, werd gesteund door het gemeentebestuur, maar zover is het niet gekomen.

Er waren bijna 300 mensen professioneel actief in het kamp. Naast de kampleiding waren dat bewakers, koks, verplegers, chauffeurs, telefonisten, administrateurs, magazijnmeesters, een kamparts, een aalmoezenier en een sociaal verzorger. In de eerste periode waren er regelmatig problemen, doordat werknemers uit Utrecht de NSB’ers goed kenden uit hun eigen omgeving. Dat leverde spanningen op. Later werden alleen nieuwe werknemers uit andere gemeenten aangenomen.

De geïnterneerde mannen werkten buiten het kamp. Ze werden ‘s ochtends onder begeleiding van kampbewaarders opgehaald en naar hun werkplek vervoerd. Een groep werkte als monteur bij autofirma Jongerius aan de Kanaalweg. Om ze te stimuleren hard te werken aan een spoedopdracht voor het leger, kreeg het kamp van het bedrijf ‘zwart’ sigaretten, brood en melk. Hierover ontstond grote onvrede onder de Utrechtse burgerij.

Ook een actie in 1946 van de kampcommandant zorgde voor ophef. Vlak voor de terdoodveroordeling van NSB-leider Mussert (op 7 mei) liet hij een aantal gedetineerden een bezoek aan hem brengen. Hij kreeg daarvoor een reprimande. Een ander incident kwam aan het licht door een bezoek van een Tweede Kamercommissie in 1946. In een verslag wordt melding gemaakt van een nachtelijke strafexpeditie, die als collectieve straf zou zijn opgelegd naar aanleiding van het opstoken van een houten krib. Daarbij zou een hartpatiënt zijn overleden. Rhijnauwen wordt in het verslag verder nog genoemd als kamp waar de capaciteit van de medische voorzieningen “te wensen overlaat”.

Fort de Bilt
Tot slot een verhaal uit het boekje van kampcommandant Hijink van Fort de Bilt. In september 1946 is in het vrouwenkamp schade ontstaan aan een dak van een barak door een hevige storm. Een groep gedetineerden uit Kamp Rhijnauwen komt met een vrachtwagen om het dak te repareren. Er ontstaat chaos. “Ze riepen allemaal: dat
 is mijn man! En in een mum van tijd waren de mannen en vrouwen over het hele terrein uitgezwermd”, aldus Hijink. Ze diende een klacht in tegen de commandant van Kamp Rhijnauwen.

In september 1948 werden de barakken gesloopt. De gemeente Utrecht kocht ze van het Rijk voor 25.000 gulden. Twee kregen een functie bij de politie; de andere werden ingezet als noodscholen.

Mochten er mensen zijn die, ten behoeve van een publicatie, uit eigen ervaring informatie hebben over Kamp Rhijnauwen; zij zijn van harte uitgenodigd. Ook foto’s zijn welkom. Discretie gewaarborgd.

(Dit artikel werd eerder gepubliceerd op 29 april in De Oud-Utrechter.)


Naschrift
Naar aanleiding van het artikel in De Oud-Utrechter kreeg ik een foto uit 1947 doorgestuurd van de heer D. de Groot waarop het kamp zichtbaar is. Het is de enige foto van het kamp die ik tot nu toe ben tegengekomen



Reageren? terlingenschrijft@kpnmail.nl
Zie ook: www.jimterlingen.nl